Aansluitverordening riolering gemeente De Wolden

Home > Raad en College > Verordeningen, overige regelingen en beleidsregels > Aansluitverordening riolering gemeente De Wolden

Aansluitverordening riolering gemeente De Wolden

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente De Wolden
Officiële naam regelingAansluitverordening riolering gemeente De Wolden
CiteertitelAansluitverordening riolering gemeente De Wolden
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpopenbare orde en veiligheid

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Artikel 149 Gemeentewet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
12-01-2006 n.v.t. Nieuwe regeling 22-12-2005 De Wolder Courant 2005 - XX/9a

Tekst van de regeling

Gemeente De Wolden Aansluitverordening Riolering

De raad van de gemeente De Woldengelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 6 december 2005, nr. ;gelet op het bepaalde in artikel 149 van de gemeentewet;

besluit:

vast te stellen de volgende verordening:

AANSLUITVERORDENING RIOLERING GEMEENTE DE WOLDEN

Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  1. a.

    aansluitleiding: het particulier riool, het aansluitpunt en de perceelsaansluitleiding tezamen;

  2. b.

    aansluitpunt:· de erfscheidingsput, gelegen op of binnen 0,5 meter afstand van de kadastrale eigendomsgrens van het aan te sluiten perceel;· bij het ontbreken van een erfscheidingsput geldt de perceelsgrens;· bij aansluiting op een drukriool of IBA geldt het punt waar het particulier riool wordt aangesloten op de gemeentelijke ontvangstput dan wel een erfscheidingsput.

  3. c.

    bronneringswater: grondwater, onttrokken ten behoeve van tijdelijke verlaging van de grondwaterstand;

  4. d.

    drainagewater: grondwater, ingezameld door een ingegraven doorlatend buizensysteem

  5. e.

    drainagestelsel: gemeentelijk leidingstelsel, bestemd voor de afvoer van overtollig grondwater, met uitzondering van de aansluitleidingen;

  6. f.

    drukriool: het openbaar riool voor de afvoer van afvalwater, exclusief hemelwater, waarbij het transport door het riool plaatsvindt door middel van met pompinstallaties veroorzaakte druk;

  7. g.

    gebruiker: de perceeleigenaar, de zakelijk gerechtigde van het perceel of de huurder, die gebruik maakt van de aansluiting op het openbaar riool;

  8. h.

    gemengd rioolstelsel: het openbaar riool voor de afvoer van afvalwater, inclusief hemelwater;

  9. i.

    gescheiden rioolstelsel: het openbaar riool met een leidingstelsel (buizenstelsel of stelsel van watergangen) voor de afvoer van hemel- of drainagewater en een leidingstelsel voor de afvoer van het afvalwater;

  10. j.

    IBA: systeem voor Individuele Behandeling van Afvalwater;

  11. k.

    openbaar riool: het gedeelte van een leidingstelsel (buizenstelsel of stelsel van watergangen) dat bij de gemeente in eigendom en beheer is voor inzameling en transport van afvalwater, hemelwater en drainagewater, met inbegrip van dedaartoe behorende rioolgemalen, persleidingen, duikers en werken en installaties van overeenkomstige aard;

  12. l.

    ontlastput: voorziening die beoogt wateroverlast als gevolg van onvoldoende afvoercapaciteit van de huisaansluitleiding binnen het gebouw te voorkomen door het overtollige water tijdens neerslag zonder schade af te voeren buiten hetgebouw;

  13. m.

    particulier riool: de binnen de kadastrale eigendomsgrenzen van het aan te sluiten perceel gelegen binnen, buiten- of terreinrioolleidingen tot aan het aansluitpunt. Het particulier riool wordt ook "de particuliere afvoerleiding" genoemd;

  14. n.

    perceelaansluitleiding: het riool en voorzieningen die deel uit maken van dit riool, tussen het openbaar riool en het aansluitpunt, in beheer bij de gemeente;

  15. o.

    rechthebbende: de eigenaar, de vereniging van eigenaren of zakelijk gerechtigde van het perceel ten behoeve waarvan de aansluiting op het openbaar riool wordt gerealiseerd en in stand gehouden.

Hoofdstuk 2. De vergunning

Artikel 2. Vergunningsplicht

  1. 1.

    Het is verboden zonder een daartoe verleende aansluitvergunning een aansluiting van een particulier riool op het openbaar riool tot stand te brengen of te wijzigen.

  2. 2.

    Burgemeester en wethouders verlenen een aansluitvergunning alleen voor het tot stand brengen en in stand houden van een aansluiting tussen het particulier riool en de perceelaansluiting:a. voor de afvoer van afvalwater inclusief hemelwater indien ter plaatse een gemengd stelsel aanwezig is;b. voor de afvoer van afvalwater zonder hemel- of drainagewater naar het daarvoor bedoelde leidingenstelsel, indien ter plaatse een gescheiden stelsel, drukriolering of een IBA aanwezig is;c. voor de afvoer van hemel- of drainagewater naar het daarvoor bedoelde leidingenstelsel, indien ter plaatse een gescheiden stelsel aanwezig is.

  3. 3.

    Indien de rechthebbende voor de aansluiting van meer dan één particuliere afvoerleiding op het openbaar riool een aansluitvergunning aanvraagt, wordt voor deze aanvragen tezamen één vergunning verleend, waarin alle aansluitingenafzonderlijk worden vermeld.

  4. 4.

    In de vergunning kunnen voorschriften worden opgenomen met betrekking tot:a. het tot stand brengen van de aansluiting;b. het onderhoud, de renovatie en de vervanging van de perceelsaansluitleiding;c. sloopwerkzaamheden op het perceel van de rechthebbende;d. de periode waarvoor de vergunning wordt verleend indien de aansluiting is bedoeld voor de afvoer van bronneringswater indien het een tijdelijke aansluiting betreft.

  5. 5.

    Indien de rechthebbende binnen één jaar na verlening van de aansluitvergunning geen verzoek heeft gedaan de aansluiting of wijziging van de aansluiting waarop die aansluitingvergunning betrekking heeft, uit te voeren, kunnen burgemeester en wethouders de aansluitvergunning intrekken.

Artikel 3. De vergunningaanvraag

  1. 1.

    De aanvraag om een aansluitvergunning wordt schriftelijk, met behulp van een daartoe bestemd formulier, bij burgemeester en wethouders ingediend door de rechthebbende van het aan te sluiten perceel.

  2. 2.

    Bij om aanvraag van een aansluitvergunning dienen de volgende gegevens door de rechthebbende te worden verstrekt:a. de naam en het adres van de rechthebbende;b. de dagtekening;c. de aanduiding dat het een verzoek om een aansluitvergunning betreft;d. de ligging van het aan te sluiten perceel: aan de hand van straat en huisnummer of, indien nog geen huisnummer is toegekend, aan de hand van het kadastraal nummer van het betreffende perceel, en aangegeven op een situatieschets 1:1.000 of grotere schaal;e. voor zover het lozing van bedrijfsafvalwater betreft, de aard en de hoeveelheid van de af te voeren vloeistoffen, waarbij dient te worden aangegeven of niet verontreinigd water, zoals regen- of koelwater, en/of verontreinigd water, zoals huishoudelijk of industrieel afvalwater, zal worden afgevoerd;f. voor zover het enkel lozing van huishoudelijk afvalwater betreft, of er daarnaast hemel- of drainagewater zal worden afgevoerd;g. van het aan te sluiten of te wijzigen particulier riool tenminste de volgende gegevens:- het leidingverloop en de dimensionering;- de hoogteligging en het materiaal ter plaatse van het aansluitpunt;- een duidelijk verschil in kleur of symbolen tussen de vuilwater-, hemelwateren drainage afvoerleidingen;- de wijze waarop de functies van de verschillende leidingen van het particulier riool ter plaatse van het aansluitpunt zullen worden gemarkeerd.

  3. 3.

    De aanvraag om een aansluitvergunning wordt slechts in behandeling genomen nadat bij de aanvraag alle in het tweede lid vermelde gegevens zijn verstrekt. Bij het ontbreken van gegevens wordt de rechthebbende daarover geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld deze gegevens binnen vier weken na kennisgeving daarvan alsnog aan te vullen.

Artikel 4. Weigering van de aansluitvergunning

  1. 1.

    Een aansluitvergunning kan slechts worden geweigerd indien aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting vanwege technische, juridische of milieuhygiënische redenen bezwaarlijk is.

  2. 2.

    Aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting is in ieder geval bezwaarlijk indien:a. de gemeente voor het perceel waarvoor de aansluitvergunning wordt aangevraagd, van Gedeputeerde Staten een ontheffing heeft verkregen op grond van artikel 10.16 a lid 2 Wet Milieubeheer;b. de hoogteligging van het aansluitpunt (binnenonderkant buis) lager ligt dan de bovenzijde van het openbaar riool, vermeerderd met 200 mm plus de benodigde hoogte voor het afschot van de aansluitleiding;c. de bovenzijde van een lozingtoestel lager is gelegen dan 150 mm boven de kruin van de straat, tenzij via een pompinstallatie voorzien van terugslagklep wordt aangesloten;d. de gevraagde aansluiting een samengevoegde voorziening betreft, terwijl een gescheiden openbaar riool aanwezig is;e. de gevraagde aansluiting een lozing voor afvalwater en/of bronneringswater betreft waarvoor krachtens de geldende milieuwetgeving een vergunning benodigd is, maar niet is verleend, of niet aan de geldende algemene regels is voldaan;f. het openbaar riool ter plaatse van de aansluitleiding niet over voldoende capaciteit beschikt om de hoeveelheid te lozen vloeistoffen te kunnen afvoeren;g. het een lozing betreft van niet-verontreinigd drainagewater op een gemengd stelsel voor de afvoer van afvalwater inclusief hemelwater;h. de lozing van het afvalwater de doelmatige werking van het openbare riool en de RWZI belemmert;i. de gevraagde aansluiting een afvoerleiding voor niet verontreinigd bronneringswater betreft die zonder bezwaar op het oppervlaktewater kan worden aangesloten of door middel van retourbemaling kan worden afgevoerd;j. een bouwvergunning of een vergunning op grond van de Wet milieubeheer voor het aan te sluiten perceel is geweigerd.

  3. 3.

    Een weigering van een aansluitvergunning is met redenen omkleed, waarbij burgemeester en wethouders de nadere eisen aangeven waaraan het particulier riool dient te voldoen om voor vergunningverlening in aanmerking te komen.

Artikel 5. Verlening van de aansluitvergunning

  1. 1.

    Burgemeester en wethouders besluiten binnen 8 weken na ontvangst op de aanvraag.

  2. 2.

    In afwijking van het eerste lid houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om een aansluitvergunning aan indien er geen reden is de vergunning te weigeren:a. terwijl voor het aan te sluiten perceel nog een aanvraag moet worden gedaan of in behandeling is voor een bouwvergunning krachtens artikel 40 Woningwet.b. terwijl er voor het aan te sluiten perceel nog een aanvraag moet worden gedaan of in behandeling is voor een vergunning krachtens artikel 8.1 Wet milieubeheer.

  3. 3.

    Rechthebbende wordt zo spoedig mogelijk van de aanhouding op de hoogte gesteld.

  4. 4.

    Na verlening van de in lid 2 sub a en b bedoelde vergunningen, nemen burgemeester en wethouders alsnog binnen 8 weken een besluit op de aanvraag.

Hoofdstuk 3. De aansluiting

Artikel 6. Het verzoek tot aansluiting, aanleg of wijziging perceelsaansluiting

  1. 1.

    De rechthebbende aan wie ingevolge afdeling II een aansluitvergunning is verleend, kan de gemeente verzoeken de perceelsaansluitleiding aan te leggen, die nodig is voor het realiseren van de aansluiting of de wijziging daarvan, waarop deaansluitvergunning betrekking heeft. De rechthebbende dient een daartoe strekkend schriftelijk verzoek in te dienen bij burgemeester en wethouders.

  2. 2.

    Bij het verzoek tot aansluiting dienen in ieder geval de volgende gegevens door de rechthebbende te worden vermeld:a. de naam en het woonadres van de rechthebbende;b. het nummer van de aansluitvergunning;c. de door rechthebbende gewenste datum van uitvoering.Het verzoek tot aansluiting wordt slechts in behandeling genomen indien deze gegevens volledig zijn vermeld.

  3. 3.

    Indien de kosten van de aanleg van de aansluiting reeds zijn voldaan uit hoofde van een eerder door de rechthebbende met de gemeente gesloten overeenkomst, dient de rechthebbende dit naast de in het tweede lid bedoelde gegevens bij het verzoektot aansluiting of wijziging te vermelden.

  4. 4.

    Zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 4 weken na de ontvangst van het verzoek stellen burgemeester en wethouders zoveel mogelijk in overleg met rechthebbende een termijn vast voor uitvoering van de aansluiting. Bij vaststelling van het tijdstip van uitvoering wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met het door de rechthebbende gewenste tijdstip.

Artikel 7. Kosten van de aansluiting

Burgemeester en wethouders stellen de kosten van de aansluiting en eventueel nog aan te brengen perceelsaansluitleiding vast, aan de hand van een bij deze verordening behorende tabel.

Artikel 8. Uitvoering aanleg of wijziging van de perceelsaansluitleiding

  1. 1.

    De uitvoering van de aanleg of wijziging van de perceelsaansluitleiding, inclusief de aansluiting van het particulier riool op de perceelsaansluitleiding door middel van een erfscheidingsput, vindt niet plaats anders dan door of vanwege de gemeente.

  2. 2.

    In afwijking van lid 1, kunnen burgemeester en wethouders na overleg met de rechthebbende in de aansluitvergunning vastleggen dat de rechthebbende zelf de aansluiting uitvoert. De rechthebbende onttrekt het aansluitpunt na melding aan burgemeester en wethouders dat de aansluiting is uitgevoerd, gedurende drie werkdagen niet aan het zicht.

  3. 3.

    De aansluiting van het particulier riool op de perceelsaansluitleiding vindt slechts plaats, als het aan te sluiten particulier riool tot aan het aansluitpunt aanwezig is en voldoet aan de daaraan op grond van het Bouwbesluit, de Bouwverordening gemeente DE WOLDEN, de Wet Milieubeheer en de in onderhavige Aansluitverordening riolering als bijlage 4 opgenomen technische voorschriften.

Hoofdstuk 4. Beheer en onderhoud

Artikel 9. Beheer, onderhoud, renovatie en vervanging

  1. 1.

    Het beheer en onderhoud, de renovatie dan wel de vervanging van de perceelsaansluitleiding wordt uitgevoerd door of namens de gemeente en voor rekening van de gemeente, tenzij de betreffende werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd ten gevolge van een onjuist gebruik van het particulier riool, in welk geval de kosten voor rekening van de rechthebbende of veroorzaker komen.

  2. 2.

    Onder onjuist gebruik wordt in ieder geval begrepen:a. het via deze aansluiting lozen van stoffen die, vanwege hun aard en samenstelling, verstoppingen in de aansluitleiding of het openbaar riool veroorzaken;b. het via deze aansluiting lozen van stoffen die, door hun aard of concentratie, de constructie van de aansluitleiding aantasten.

  3. 3.

    De kosten voor het onderhoud van het particulier riool komen voor rekening van de rechthebbende, tenzij vaststaat dat de noodzaak tot onderhoud is veroorzaakt door inspoeling vanuit het openbaar riool.

  4. 4.

    Onder renovatie wordt tevens begrepen het aanpassen van de perceelsaansluitleiding ten gevolge van een wijziging van het openbaar riool.

Artikel 10. Calamiteiten

  1. 1.

    Bij een verstopping of andere storing in het riool graaft de rechthebbende de erfscheidingsput op en onderzoekt of het een verstopping of een storing betreft in het particulier riool of in de perceelsaansluitleiding. De locatie van de erfscheidingsput is bij de gemeente op te vragen. Als er water in de erfscheidingsput staat zit de verstopping in het openbaar riool. Als er geen water in de erfscheidingsput staat zit de verstopping in het particuliere riool.

  2. 2.

    Indien na het in lid 1 bedoelde onderzoek wordt vermoed dat sprake is van een verstopping of storing in de perceelsaansluitleiding of van een verstopping of storing als gevolg van inspoeling vanuit het openbaar riool, neemt de rechthebbende of de gebruiker contact op met de gemeente voor het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden.

  3. 3.

    Indien na het in lid 1 bedoelde onderzoek blijkt dat er sprake is van een verstopping of storing in het particulier riool dient de rechthebbende deze verstopping of storing zelf te verhelpen.

  4. 4.

    Indien bij of na het verrichten van de in lid 2 bedoelde werkzaamheden door de gemeente blijkt dat de kosten van deze werkzaamheden op grond van artikel 9 voor rekening van de rechthebbende of gebruiker behoren te zijn, worden de door de gemeente gemaakte kosten bij de vergunninghouder in rekening gebracht.

Hoofdstuk 5. Verwijdering aansluiting, sloop

Artikel 11. Zorgplicht

  1. 1.

    Bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op een op het openbaar riool aangesloten perceel, moeten door de rechthebbende zodanige voorzieningen aan het particulier riool worden getroffen dat (bijvoorbeeld) verzanding van het openbare riool en de perceelsaansluitleiding wordt voorkomen.

  2. 2.

    Indien de rechthebbende bij sloopwerkzaamheden niet voldoet aan de in het eerste lid omschreven zorgplicht, heeft de gemeente de bevoegdheid de aansluiting op het openbaar riool af te sluiten en de hieraan verbonden kosten te verhalen op de rechthebbende.

  3. 3.

    Indien het gebruik van een aansluitleiding definitief wordt beëindigd is de rechthebbende verplicht de gemeente hiervan in kennis te stellen.

  4. 4.

    Indien het gebruik van een aansluitleiding definitief wordt beëindigd, wordt de op de aansluitleiding betrekking hebbende vergunning ingetrokken.

Hoofdstuk 6. Straf, overgans- en slotbepalingen

Artikel 12. Strafbepaling en hardheidsclausule

  1. 1.

    Overtreding van een bij of krachtens deze verordening vastgestelde verbodsbepaling, niet nakoming van een bij of krachtens deze verordening opgelegde verplichting en niet nakoming van een op grond van een vergunning verbonden voorschrift of beperking wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste de tweede categorie en kan bovendien worden bestraft met openbaarmaking van de rechtelijke uitspraak.

  2. 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. In gevallen, waarin deze verordening niet of onvoldoende voorziet, beslist het college.

  3. 3.

    De vergunningen, die zijn verleend voor het tijdstip, waarop deze verordening in werking treedt, worden geacht te zijn verleend op basis van deze verordening. Op alle reeds bestaande aansluitingen zijn de bepalingen met betrekking tot het beheeren het onderhoud en de zorgplicht bij verwijdering en sloop zoals dit in deze verordening is geregeld van toepassing.

  4. 4.

    Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van haar afkondiging.

Artikel 13. Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als “Aansluitverordening riolering gemeente De Wolden”.

Sluiting

Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van De Wolden in zijn vergadering van 22 december 2005.De griffier, De voorzitter,

Toelichting 1

2.1 OPZET VAN DE VERORDENING. Uitgangspunt van deze verordening is dat voor een nieuwe aansluiting op het riool of een wijziging van de bestaande aansluiting, een vergunning is vereist. In de vergunning worden voorwaarden gesteld waaraan de aansluiting moet voldoen. Deze voorwaarden betreffen allereerst de technische eisen waaraan de aansluiting moet voldoen. De technische eisen betreffen het leidingverloop en de dimensionering, de hoogteligging van de aansluitleiding en het materiaal ter plaatse van het aansluitpunt. Ook worden nadere voorwaarden gesteld voor het geval er een gescheiden rioolstelsel is. Dat wil zeggen dat er dan een aparte aansluiting voor een hemelwaterriool en een aparte aansluiting voor een vuilwaterriool worden aangelegd. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de in het Bouwbesluit en Bouwverordening opgenomen bouwtechnische eisen. Tenslotte zijn er voorwaarden opgenomen over onderhoud, renovatie en vervanging van de aansluiting en beëindiging van het gebruik van de aansluiting. Het gemeentelijk rioolstelsel wordt op een drietal plaatsen begrensd: het punt waar afvalwater of overtollige neerslag wordt overgenomen van de producent (doorgaans daar waar het particulier riool overgaat in gemeentelijk eigendom), het punt waar afvalwater of de overtollige neerslag wordt overgedragen aan de beheerder van de zuiveringstechnische werken en het punt waar overstortingen op het oppervlaktewater plaatsvinden. Deze verordening heeft alleen betrekking op de begrenzing van het eerstgenoemde punt. Deze begrenzing, de plaats waar het particulier riool is aangesloten op de perceelsaansluitleiding (de uitlegger), wordt het aansluitpunt genoemd. Het aansluitpunt wordt in de verordening gesitueerd op de kadastrale eigendomsgrens van het aan te sluiten perceel of niet meer dan een halve meter daar vandaan. Ingeval van drukriolering is dit het punt waar het particulier riool is aangesloten op de pompput.

De aansluitleiding bestaat dus vanaf het hoofdriool achtereenvolgens uit de perceelaansluitleiding,het aansluitpunt en het particuliere riool (ook wel particuliere afvoerleiding genoemd). Het deel van de aansluitleiding vanaf het aansluitpunt naar het hoofdriool van het gemeentelijk rioolstelsel (de perceelsaansluitleiding) wordt beheerd door de gemeente. Dit deel van de aansluiting ligt onder de openbare weg. Als er nu bijvoorbeeld een verstopping is ontstaanin het particuliere riool, dan moet de rechthebbende zelf en voor eigen rekening zorgdragen voor het verhelpen van het probleem. Dit kan bijvoorbeeld door het inschakelen van een installateur. Is er een verstopping ontstaan in de perceelsaansluitleiding, bijvoorbeeld door ingroeiende boomwortels of door verzakking, dan draagt de gemeente zorg voor de reparatie. De kosten van onderhoud, renovatie en vervanging van de perceelsaansluitleiding zijn voor de gemeente. Hierop is echter wel een uitzondering gemaakt. Als het aannemelijk is dat de betreffende onderhouds- of herstelwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd als gevolg van een onjuist gebruik van het riool, dan zijn de kosten voor rekening van de rechthebbende of de veroorzaker van de schade. De aanleg van de perceelsaansluitleiding geschiedt door de gemeente of door een namens de gemeente in te schakelen aannemer. Deze legt de perceelsaansluitleiding aan voor rekening van de eigenaar. De kosten die de eigenaar moet betalen zijn in beginsel de daadwerkelijke kosten van de aanleg.

De term rechthebbende wordt in de Aansluitverordening gehanteerd. In artikel 1 van de verordening is uitgelegd, wie hiermee worden bedoeld. De verlening van de vergunning kan door de gemeente worden geweigerd indien aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting vanwege technische, juridische of milieuhygiënische redenen bezwaarlijk is. In de verordening is geen uitputtende regeling opgenomen met betrekking tot weigeringsgronden voor het verlenen van de vergunning. Wel zijn situaties opgenomen die in ieder geval worden aangemerkt als bezwaarlijk voor het verlenen van een vergunning voor de aansluiting. Een van deze weigeringsgronden is de aansluiting van drainagewater hetgeen in de lijn ligt van het beleid van de vierde Nota waterhuishouding.

Als een vergunningaanvraag wordt geweigerd moet deze weigering voorzien zijn van een goede motivering. Deze verordening is opgebouwd uit 15 artikelen, die zijn ondergebracht in zes afdelingen. In afdeling I worden de begripsbepalingen gegeven. Afdeling II regelt de vergunning: een omschrijving van de vergunningsplicht, de aanvraag, de verlening en tot slot de gronden tot weigering. Tevens worden een aanhoudingsplicht en eventueel een hardheidsclausule geregeld. In afdeling III komt het tot stand brengen van de aansluiting aan de orde. Hierin worden het verzoek tot aanleg of wijziging, de kosten en de uitvoering geregeld. Het onderhoud komt in afdeling IV aan de orde, de verwijdering en sloop van de aansluiting in afdeling V. De laatste afdeling tenslotte, afdeling VI, betreft de overgangs- en slotbepalingen.

2.2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING.

ARTIKEL 1 BEGRIPSBEPALINGEN. In artikel 1 worden de begripsbepalingen gegeven. De begrippenlijst is nogal uitgebreid om te voorkomen dat onnodige discussie kan ontstaan over de betekenis van bepaalde begrippen. Voor de uitleg van de bepalingen in de aansluitverordening en de voorschriften in een aansluitvergunning, gelden de definities van artikel 1.

In de vorige paragraaf is al stilgestaan bij de begrippen perceelsaansluitleiding, particulier riool2 en aansluitpunt. Omdat het aansluitpunt de scheidingslijn vormt tussen de beheersverantwoordelijkheid van gemeente en perceelseigenaar is het belangrijk dat er een goede definitie wordt gegeven van het aansluitpunt. Een praktische oplossing is de erfscheidingsput in artikel 1 aan te wijzen als aansluitpunt.

Artikel 1 geeft ook een omschrijving van bronneringswater en drainagewater omdat ook verzoeken aan de gemeente voor (tijdelijke) lozingen van dit water onder het regime van de aansluitverordening vallen. De rechthebbende is degene die een aansluitvergunning kanaanvragen. Verder wordt een vereniging van eigenaren als rechthebbende aangemerkt omdat bij appartementsgebouwen vaak maar één aansluiting aanwezig is voor het gehele gebouw. De vereniging van eigenaren wordt dan de vergunninghouder voor de betreffende aansluiting en zal vervolgens met de leden moeten regelen hoe binnen het gebouw met verstoppingen en storingen wordt omgegaan. Dit geldt ook voor een rechthebbende die zijn eigendom verhuurt. Hij dient er zelf voor te zorgen dat de huurder de voorschriften van de aansluitvergunning naleeft. Dit laatste geldt ook, als de verhuurder (rechthebbende in de zin van de Aansluitverordening) een woningbouwvereniging is. De woningbouwvereniging is degene die een aansluitvergunning kan aanvragen. Zij zal dan met haar huurders onderling afspraken kunnen maken omtrent het gebruik van de aansluiting, maar de woningbouwvereniging is als rechthebbende het aanspreekpunt in de relatie tot de gemeente. De huurders van de woningbouwvereniging zijn gebruikers in de zin vande Aansluitverordening. Als rechthebbende wordt niet alleen aangemerkt de (perceels)eigenaar maar ook de zakelijke gerechtigde van een aan te sluiten perceel. Ook de rechtsopvolgers van deze eigenaren of zakelijk gerechtigden worden aangemerkt als rechthebbende, zodat de vergunning geldig blijft in geval het perceel bijvoorbeeld wordt verkocht.

ARTIKEL 2 VERGUNNINGPLICHT.In artikel 2 wordt bepaald dat aansluiting van een particulier riool op het openbaar riool of wijziging van een dergelijke aansluiting, verboden is zonder vergunning. Deze vergunningsplicht voor het verkrijgen van een aansluiting op de riolering is een belangrijk uitgangspunt van de aansluitverordening. In de vergunning kunnen voorschriften worden opgenomen omtrent het particulier riool zoals dat aanwezig moet zijn op het moment dat de aansluiting tot stand gebracht wordt. Daarnaast is het raadzaam de voor de rechthebbende geldende regels uit de verordening met betrekking tot het onderhoud, de renovatie, vervanging en sloop, expliciet in de vergunning te vermelden. Zolang de betreffende aansluiting bestaat, blijven deze voorschriften gelden. Bij wijziging van de aansluiting moet een nieuwe vergunning worden aangevraagd. In lid 2 wordt aangegeven dat burgemeester en wethouders alleen aansluitvergunningen verlenen vooraansluitingen die overeenstemmen met het openbaar riool ter plaatse. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen vergunning kan worden verkregen voor de gemengde afvoer van hemelwater en het overige afvalwater als ter plaatse een gescheiden stelsel ligt. Lid 3 geeft nog een toevoeging aan lid 2 door te stellen dat voor elke aansluiting afzonderlijk, bijvoorbeeld bij een gemengd stelsel voor de afvoer van vuilwater en de afvoer van hemelwater een vergunning moet worden aangevraagd. Bij het aansluiten van een perceel op een gemengd stelsel zullen deze aansluitingen doorgaans tegelijk worden gerealiseerd zodat in dat geval natuurlijk de voorwaarden voor dat perceel in één vergunning kunnen worden opgenomen. Als de vergunning is verleend kan de rechthebbende een verzoek doen aan burgemeester en wethouders om de aansluiting tot stand te brengen (zie artikel 6). Om te voorkomen dat de gemeente aansluitvergunningenverleend voor percelen waar uiteindelijk geen aansluiting tot stand wordt gebracht, kunnen burgemeester en wethouders indien een jaar na de vergunningverlening nog geen verzoek is gedaan tot aansluiting, de vergunning intrekken. Omdat net als een vergunningverlening de intrekking is aan te merken als een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, dient de rechthebbende in de gelegenheid te worden gesteld toe te lichten waarom nog niet is verzocht tot aansluiting en moet de intrekking worden voorzien van een deugdelijke motivering.

ARTIKEL 3 DE VERGUNNINGAANVRAAG.Artikel 3 bepaalt dat de vergunning moet worden aangevraagd door de rechthebbende. Om dit te vereenvoudigen, moet de aanvraag worden gedaan met een daartoe bestemd formulier (zie bijlage 1). In het tweede lid is vastgelegd waaraan de aanvraag moet voldoen. Omdat het mogelijk is dat de gevraagde gegevens die nodig zijn om een aansluiting goed tot stand te brengen, reeds zijn vastgelegd in een bouwvergunning of een vergunning op grond van de Wet milieubeheer, kan de aanvrager in dat geval volstaan met een kopie van deze gegevens. Op grond van lid 3 krijgt de aanvrager na daarover geïnformeerd te zijn nog vier weken de tijd om de gegevens aan te vullen indien de overlegde gegevens incompleet zijn. Als na het verstrijken van die periode de gegevens nog steeds onvolledig zijn of opnieuw een onvolledige aanvraag wordt ingediend, kunnen burgemeester en wethouders op basis van artikel 4:5 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht besluiten de aanvraag niet te behandelen.

ARTIKEL 4 WEIGERING VAN DE AANSLUITVERGUNNING.In artikel 4 is vastgelegd op welke gronden de vergunning geweigerd kan worden. In lid 1 is aangegeven dat het moet gaan om technische, juridische of milieuhygiënische weigeringsgronden.In lid 2 worden voorbeelden gegeven van mogelijke weigeringsgronden. Sub a over de hoogteligging is bijvoorbeeld een technische weigeringsgrond, sub g over de lozing van niet verontreinigd drainagewater is bijvoorbeeld een milieuhygiënische grond en sub j over de verlening van andere vergunningen een juridische grond. De in lid 2 genoemde weigeringsgronden zijn niet uitputtend bedoeld en moeten worden gezien als ondersteuning van de motivering om een vergunning te weigeren. In bijlage 2 worden de technische aspecten nader toegelicht. Bij een weigering wordt altijd aangegeven aan welke eisen moet worden voldaan om alsnog voor de aansluitvergunning in aanmerking te komen.

ARTIKEL 5 VERLENING VAN DE AANSLUITVERGUNNING.Burgemeester en wethouders moeten op grond van artikel 5 lid 1 binnen 8 weken beslissen op de aanvraag. Deze termijn moet voldoende zijn om een aanvraag voor een aansluitvergunning af te werken, en komt overeen met de termijn die in de Algemene wet bestuursrecht als redelijk wordt aangemerkt in het geval er geen termijn is bepaald3. In geval de rechthebbende voor het betreffende perceel ook nog een aanvraag voor een bouwvergunning of een vergunning op grond van de Wet milieubeheer heeft lopen, wordt de aanvraag voor de aansluitvergunning aangehouden totdat deze vergunningen zijn verleend. Een weigering deze vergunningen te verlenen, vormt een directe weigeringsgrond voor de aansluitvergunning. Deze weigeringsgrond is opgenomen in artikel 4.

ARTIKEL 6 HET VERZOEK TOT AANLEG OF WIJZIGING VAN DE PERCEELSAANSLUITLEIDING.In artikel 6 is vastgelegd hoe de rechthebbende na het verkrijgen van de vergunning een verzoek kan doen tot het realiseren van de aansluiting op het openbaar riool. Na het indienen van een verzoek dient de gemeente binnen vier weken een afspraak te maken om de werkzaamheden uit te voeren.

ARTIKEL 7 KOSTEN VAN DE AANSLUITING.Een tarievenlijst is opgesteld waarmee is na te gaan wat de aanleg van een perceelsaansluitleiding per meter kost, waarbij een differentiatie wordt aangebracht voor het type wegdek dat eventueel voor de aanleg moet worden opengebroken. De tarievenlijst wordt jaarlijks geactualiseerd en vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. Overigens wordt er geen bedrag voor de aanleg van de perceelsaansluitleiding berekend als deze kosten al zijn verwerkt in het gemeentelijk rioolrecht of in geval deze kosten zijn verwerkt in de gronduitgifteprijs of anderszins zijn verhaald.

ARTIKEL 8 UITVOERING AANLEG OF WIJZIGING VAN DE PERCEELSAANSLUIT-LEIDING.In artikel 8 wordt bepaald dat de aanleg van de perceelsaansluitleiding geschiedt door of vanwege de gemeente. Omdat de gemeente er onder andere in verband met het ontwijken van kabels en leidingen ook voor kan kiezen eerst de perceelsaansluitleiding (te doen) aan te leggen en daarna pas het particulier riool te (doen) realiseren, is in lid 2 de mogelijkheid opgenomen om van lid 1 af te wijken. Na overleg met de rechthebbende, kan in de aansluitvergunning worden vastgelegd dat de rechthebbende de aansluiting zelf uitvoert. Om te kunnen controleren of deze aansluiting deugdelijk tot stand is gebracht, moet de rechthebbende melden dat hij de aansluiting heeft uitgevoerd, waarna het aansluitpunt nog drie werkdagen in het zicht moet blijven. Lid 3 geeft aan dat een aansluiting niet plaatsvindt als het particulier riool niet voldoet aan de daaraan te stellen bouwtechnische eisen. Deze bepaling moet worden gezien als een zogenaamde vangnetbepaling.

ARTIKEL 9 BEHEER, ONDERHOUD, RENOVATIE EN VERVANGING.Artikel 9 geeft nadere regels over het beheer en onderhoud, de renovatie en vervanging van de perceelsaansluitleiding. Deze worden door en voor rekening van de gemeente uitgevoerd tot het aansluitpunt, gerekend vanaf het openbaar riool, tenzij het aannemelijk is dat de betreffende werkzaamheden moeten worden uitgevoerd ten gevolge van een onjuist gebruik van het particulier riool. In dat geval komen de kosten voor rekening van de rechthebbende. De rechthebbende moet zorgen dat de door hem gebruikte aansluiting vrij blijft van aanslag, slib en dergelijke, waardoor op den duur de leiding verstopt kan raken. De rechthebbende is zelf verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van het particulier riool, tenzij aannemelijk is dat de noodzaak tot onderhoud is veroorzaakt door terugstroming van afvalwater uit het openbaar riool.

ARTIKEL 10 CALAMITEITEN.In artikel 10 is een calamiteitenregeling opgenomen om te voorkomen dat voor elk probleem de gemeente erbij wordt geroepen. Om te voorkomen dat de rechthebbende of de gebruiker voor elke storing of verstopping meteen de gemeente belt, is in lid 1 de regel opgenomen dat in geval van storing of verstopping de rechthebbende eerst moet vaststellen waar de storing zich in de aansluitleiding bevindt. Als hij geconstateerd heeft, dat de storing in de perceelsaansluitleiding zit, kan hij de gemeente laten komen om de storing of verstopping op te heffen. Voor een beschrijving van de procedure wordt verwezen naar bijlage 4. In lid 3 wordt nadrukkelijk gesteld dat de rechthebbende zelf verantwoordelijk is voor het verhelpen van verstoppingen in het particulier riool. Dit betekent dat de rechthebbende, indien hij het pand bijvoorbeeld verhuurt, bij calamiteiten voor de gebruiker van het particuliere riool het aanspreekpunt is. Verder geeft het artikel een regeling voor het geval toch de hulp wordt ingeroepen van de gemeente, omdat wordt vermoed dat het een storing betreft waarvoor de gemeente verantwoordelijk is.

ARTIKEL 11 ZORGPLICHT.In artikel 11 zijn bepalingen opgenomen over de zorg die betracht moet worden bij werkzaamheden die schade kunnen veroorzaken aan het openbaar riool. In lid 3 en lid 4 is vastgelegd dat bij definitieve beëindiging van het gebruik van een aansluitleiding, de aansluitvergunning wordt ingetrokken en de leiding wordt verwijderd.

ARTIKEL 12 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALING.Om te voorkomen dat toepassing van de bepalingen van deze verordening in een concreet geval zou leiden tot een beslissing in strijd met de redelijkheid en billijkheid, is in artikel 12 een hardheidsclausule opgenomen. Omdat met het van kracht worden van de aansluitverordening juridisch een nieuwe situatie ontstaat, is in dit artikel een aantal overgangsbepalingen opgenomen. Aanvragen tot aansluiting of wijziging van een aansluiting die na de inwerkingtreding van de verordening nog in behandeling moeten worden genomen, worden behandeld volgens de regeling in de verordening. In lid 2 zijn op alle reeds bestaande aansluitingen de bepalingen met betrekking tot het beheer en onderhoud en de zorgplicht bij verwijdering en sloop van toepassing verklaard. Uiteraard mag deze toepassing geen strijd opleveren met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij wijziging van een bestaande aansluiting bestaat uiteraard de plicht om daarvoor een aansluitvergunning aan te vragen. Omdat het denkbaar is dat voor het tot stand brengen van rioolaansluitingen in het verleden met perceeleigenaren overeenkomsten zijn gesloten waarin afspraken zijn gemaakt die strijd opleveren met de Aansluitverordening, is in lid 3 vastgelegd dat in dergelijke situaties de bepalingen van de overeenkomst prevaleren. Het zou immers in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel als deze afspraken zomaar opzij worden gezet.

3 UITZONDERINGSSITUATIES.

3.1 WOONSCHEPEN.Woonschepen zijn niet als bouwwerk in de zin van de bouwregelgeving aan te merken en vallen derhalve buiten de verplichting tot aansluiting op de openbare riolering. De rechter stelt dat de Woningwet niet van toepassing is op woonschepen5. Woonschepen vallen onder het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater, hetgeen betekent dat er een lozingsverbod geldt, als er binnen een afstand van 40 meter openbare riolering aanwezig is. In deze situatie zal in overleg met de bewoner aansluiting op de openbare riolering de voorkeur hebben. Daarbij moet er bij de toepassing van de regelgeving rekening mee worden gehouden dat het bij woonschepen niet altijd mogelijk is alle afvoerleidingen naar een punt te voeren. Bij een afstand van meer dan 40 meter tot het openbaar riool gelden ook de algemene regels van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.

3.2 RECREATIETERREINEN.Burgemeester en wethouders kunnen bij het afgeven van een vergunning of ontheffing voor een kampeerterrein op basis van artikel 8 van de Wet op de Openluchtrecreatie, voorwaarden stellen. In het Lozingenbesluit bodembescherming en het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater wordt onderscheid gemaakt naar beperkte en omvangrijke lozingen. Een aandachtspunt bij recreatiewoningen is het aanmerken van een lozing als een afzonderlijke beperkte of als één omvangrijke lozing voor het gehele terrein/park. Bij zeer verspreid liggende recreatiewoningen (drukriolering te duur) kan transport per as of een IBA-systeem worden toegepast. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 3.3.

3.3 TRANSPORT VAN AFVALWATER PER AS.Als er geen verplichting bestaat tot aansluiting op de openbare riolering kan er worden gekozen voor inzameling van het huishoudelijk afvalwater per as. Dit houdt in dat het afvalwater in een opslagtank wordt verzameld en vervolgens met een tankwagen wordt afgevoerd naar een RWZI of eventueel een lozingspunt in de riolering.

3.4 OMBOUW NAAR ANDER RIOLERINGSSTELSEL.Als de gemeente een bestaand gemengd rioolstelsel wil ombouwen naar een gescheiden rioolstelsel, doet zich de vraag voor hoe ervoor gezorgd kan worden dat bestaande aansluitingen waaruit gemengd wordt geloosd, worden gewijzigd in twee gescheiden aansluitpunten voor droogweerafvoer en hemelwaterafvoer. Het gaat hier om het wijzigen van bestaande aansluitingen, om het afkoppelen van hemelwater. Op grond van de huidige wetgeving is het niet mogelijk om de eigenaar/rechthebbende te verplichten om af te koppelen.

4 Artikel 1 van de Wet op de woonwagens en woonschepen (26 juli 1918, Stb 492) geeft als definitie van een woonschip: een schip uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot bewoning bestemd. Deze wet is vervallen per 1 maart 1999.5 In de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer bij het wetsvoorstel tot wijziging van (onder meer) de Woningwet in verband met de integratie van de woonwagen- en woonschepenregelgeving merkt de regering op, dat "woonschepen niet onder de Woningwet [vallen] en dus ook niet onder het Bouwbesluit". Zie EK 1997-1998 25 333, nr. 313b, p. 1.

4 AFWIJKENDE EIGENDOMSSITUATIES.

4.1 ALTERNATIEVE REGELINGEN EIGENDOM.

4.1.1 Inleiding.De situatie waarin er per huisaansluitleidingen één lozer is aangesloten is het meest overzichtelijk. Er zijn echter situaties waarbij dit niet mogelijk is en één huisaansluitleiding meerdere lozers dient. Enkele voorbeelden van medegebruik zijn:- gebruik van een gezamenlijke leiding door meerdere appartementseigenaren;- gebruik van een leiding door eigenaren van verschillende gebouwen op een privé-terrein (bijvoorbeeld een bedrijfsterrein).

4.1.2 Appartementseigenaren.Veelal zal een appartementsgebouw voorzien zijn van een gezamenlijke huisaansluitleiding. De appartementsrechten zijn geregeld in artikel 5:106 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (BW). In een appartementsgebouw dient een vereniging van appartementseigenaren te functioneren. Aanspreekpunt voor de gemeente is in het onderhavige geval de vereniging. Kennisgevingen aan de gezamenlijke appartementseigenaren kan de gemeente richten aan de vereniging. Als een vereniging van appartementeigenaren onvoldoende functioneert, kunnen de eigenaren ieder individueel op hun verplichtingen naar rato worden aangesproken, tenzij in het splitsingsreglement van de vereniging een andere verhouding is bepaald (artikel 5:113 BW).

4.1.3 Meerdere gebouwen op een privé-terrein.Het komt voor dat meerdere gebouwen van verschillende eigenaren op één perceel zijn gebouwd. Een gedeelte van de voorzieningen, gelegen in dit perceel, is dan een gemeenschappelijke zaak van de afzonderlijke eigenaren ook wel deelgenoten genoemd (denk met name aan fabrieksterreinen). Deze eigenaren hebben allen een aansluitplicht. Veelal heeft men één leiding in gebruik die aangesloten wordt op het openbaar riool. Deze leiding kan gemeenschappelijk eigendom van de deelgenoten zijn (artikel 3:166 BW). De deelgenoten kunnen het genot, gebruik en beheer van de gemeenschappelijke huisaansluitleiding regelen bij overeenkomst (artikel 3:168 BW). Wanneer een dergelijke overeenkomst ontbreekt kan de kantonrechter op verzoek van de meest gerede partij een regeling treffen (artikel 3:168 BW). Dit laat onverlet dat voor de gebouwen afzonderlijk een aansluitplicht geldt. De afzonderlijke eigenaren kunnen hiervoor verantwoordelijk worden gesteld.