Beleidsregels BIBOB 2017

Beleidsregels BIBOB 2017

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente De Wolden
Officiële naam regelingBeleidsregels BIBOB 2017
CiteertitelBeleidsregels BIBOB 2017
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpopenbare orde en veiligheid

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht
  2. Artikel 3 Drank- en Horecawet
  3. Artikel 27 Drank- en Horecawet
  4. Artikel 30a Drank- en Horecawet
  5. Artikel 30b Wet op de kansspelen
  6. Wet bevordering integriteitsbepalingen door het openbaar bestuur
  7. Artikel 2.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
  8. Artikel 2.17 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
  9. Artikel 2 van de Verordening op de kansspelen voor de gemeente De Wolden
  10. Hoofdstuk 1 en 3 en afdeling 10 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2016
  11. Hoofdstuk 2 van de Evenementenverordening 2015
  12. Algemene subsidieverordening De Wolden

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
01-07-2017 n.v.t. Nieuwe regeling 23-05-2017 De Wolder Courant Onbekend

Tekst van de regeling

De burgemeester en het college van de gemeente De Wolden, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;

Overwegende, dat de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming omtrent het toepassen van uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden;

Gelet op het bepaalde in de Wet bevordering integriteitsbepalingen door het openbaar bestuur, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 3, 27, 30a en 31 van de Drank en Horecawet, artikel 30b van de Wet op de kansspelen, de artikelen 2.1 en 2.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 2 van de Verordening op de kansspelen voor de gemeente De Wolden, hoofdstuk 1 en 3 en afdeling 10 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2016, hoofdstuk 2 van de Evenementenverordening 2015 en de Algemene subsidieverordening De Wolden;

besluiten vast te stellen de volgende:

Beleidsregels voor de toepassing van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 2017

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

  1. 1.

    De definities in artikel 1.1 van de Wet Bibob zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidsregels, tenzij daarover in lid 2 anders is bepaald.

  2. 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    1. a.

      bestuursorgaan: de burgemeester onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders alsmede degenen aan wie zij een mandaat hebben verleend tot besluitvorming bij beschikkingen van de gemeente De Wolden;

    2. b.

      eigen onderzoek: de wijze van behandelen van een aanvraag waarbij met toepassing van de wet door het bestuursorgaan wordt beoordeeld of er redenen aanwezig zijn om de aanvraag te weigeren, respectievelijk de beschikking in te trekken of te beëindigen, daaraan voorschriften te verbinden dan wel een advies bij het Bureau aan te vragen;

    3. c.

      de wet: De Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur;

    4. d.

      RIEC: Regionaal Informatie en Expertise Centrum.

Hoofdstuk 2. Publiekrechtelijke beschikkingen

Artikel 2. Toepassingsbereik bij nieuwe beschikkingen

De toepassing van de wet zal door het bestuursorgaan op de hieronder aangeduide beschikkingen op de volgende wijze plaatsvinden:

  1. a.

    uitvoering van de Bibob-toets vindt in beginsel plaats bij elke aanvraag voor een beschikking als bedoeld in:

    1. I.

      artikel 3 Drank en Horecawet;

    2. II.

      artikel 30b van de Wet op de kansspelen;

    3. III.

      hoofdstuk 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2016;

    4. IV.

      afdeling 10 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2016.

  2. b.

    uitvoering van de Bibob-toets kan bij onderstaande aanvragen voor een beschikking in beginsel plaatsvinden als zij vallen onder de daartoe aangewezen branche en/ of gebied en de daarbij geldende risico-indicatoren:

  1. I. de aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht;

  2. II. de aanvraag als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder e van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van die wet;

  3. III. de aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.17 van die wet is bepaald, dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet kan worden geweigerd. De Bibob-toets wordt in beginsel alleen uitgevoerd als bij de aanvraag:

  1. 1° vanuit eigen informatie en/of

  2. vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of

  3. vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de wet,

  4. er duidelijke aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat bij de aanvraag sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet.

  1. IV. de aanvraag als bedoeld in hoofdstuk 2 van de

  1. c.

    Uitvoering van de Bibob-toets vindt bij onderstaande aanvragen voor een beschikking in beginsel plaats, als er sprake is van ambtelijke informatie en/of informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, die een aanleiding vormen om te vermoeden dat de beschikking zal worden gebruikt als bedoeld in artikel 3 van de wet:

  1. I. de aanvraag als bedoeld in artikel 30a Drank en Horecawet;

  2. II. de aanvraag als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en horecawet, in het geval het een horecabedrijf betreft, als bedoeld in artikel 4 van de Drank- en horecawet.

Artikel 3. Toepassing in bijzondere situaties bij aanvragen voor een beschikking genoemd in artikel 1

  1. 1.

    Naast de in artikel 2, onder a aangeduide gevallen, zal het bestuursorgaan bij een aanvraag voor de in artikel 2, onder b genoemde beschikkingen ook overgaan tot een Bibob-toets, wanneer:

    1. a.

      vanuit eigen informatie en/of

    2. b.

      vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of

    3. c.

      vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de wet,

    duidelijke aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat bij de aanvraag sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet.

  2. 2.

    Daarnaast zal een Bibob-toets plaatsvinden als bij navraag door het bestuursorgaan bij het Bureau blijkt, dat tegen de aanvrager van een beschikking, in de afgelopen twee jaar advies is uitgebracht of een adviesaanvraag in behandeling is genomen bij het Bureau.

Artikel 4. Toepassingsbereik bij reeds verleende beschikkingen

Het bestuursorgaan kan de wet in beginsel toepassen met betrekking tot reeds verleende beschikkingen indien:

  1. a.

    de verstrekte beschikking betrekking heeft op een locatie, die gelegen is in een concreet bepaald gebied dat, op basis van een daartoe genomen besluit van het bestuursorgaan na de verstrekking van de beschikking, is aangewezen als risicogebied;

  2. b.

    de verstrekte beschikking onderdeel uitmaakt van een branche of onderdeel in deze branche, die op basis van een door het bestuursorgaan genomen besluit na de verstrekking van de beschikking is aangewezen voor een generieke Bibob-toets;

  1. c.

    vanuit eigen informatie dan wel vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC er aanwijzingen zijn dat er sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet;

  1. d.

    informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de wet, verkregen vanuit het OM, direct of als reactie op een door haar ontvangen signaal van het Bureau, duidt op een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet;

  2. e.

    bekend wordt, dat tegen betrokkene in een andere gemeente bij een Bibob-toets een ernstige mate van gevaar is geconstateerd en aan betrokkene alhier een soortgelijke beschikking is verstrekt. In geval aan betrokkene in meerdere gemeenten binnen het samenwerkingsverband RIEC eerder al een soortgelijke beschikking is verleend, zal het bestuur het RIEC om coördinatie in de Bibob-toets verzoeken.

Artikel 5. Weigering toezenden vragenformulieren

Bij een weigering om de Bibob-vragenformulieren volledig ingevuld te retourneren, zullen bij een aanvraag om vergunning allereerst de daartoe gestelde regels van de Algemene wet bestuursrecht toegepast worden. Bij volharding zal in het geval van een reeds verleende beschikking, de weigering worden beschouwd als een ernstige mate van gevaar als genoemd in artikel 4 juncto 3 van de wet Bibob. De verstrekte vergunning zal als gevolg daarvan worden ingetrokken.

Artikel 6. Toepasingsbereik bij subsidies

  1. 1.

    Het bestuursorgaan kan de wet in beginsel toepassen met betrekking tot een aanvraag voor dan wel de intrekking van een reeds verleende subsidie als bedoeld in de gemeentelijke subsidieregeling.

  2. 2.

    De Bibob-toets wordt in beginsel alleen uitgevoerd als bij de aanvraag:

    1. a.

      vanuit eigen informatie en/of

    2. b.

      vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of

    3. c.

      vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de wet,

    duidelijke aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat bij de aanvraag sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet.

Hoofdstuk 3. Privaatrechtelijke transacties

Artikel 7. Toepassingsbereik bij vastgoedtransacties

  1. 1.

    Een bestuursorgaan kan de wet in beginsel toepassen met betrekking tot vastgoedtransacties waarbij de gemeente partij is. Bij de start van onderhandelingen daartoe, zal het bestuursorgaan de wederpartij ervan in kennis stellen dat een Bibob-onderzoek deel kan uitmaken van de procedure.

  2. 2.

    De Bibob-toets wordt in beginsel alleen uitgevoerd wanneer bij de aanvraag:

    1. a.

      vanuit eigen informatie en/of

    2. b.

      vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of

    3. c.

      vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de wet,

    duidelijke aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat bij de aanvraag sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet.

  3. 3.

    In de overeenkomst wordt een integriteitsclausule opgenomen, op basis waarvan kan worden overgegaan tot ontbinding, opzegging, vernietiging of opschorting van de overeenkomst.

  4. 4.

    Indien de Bibob-procedure niet is afgerond voor het sluiten van de overeenkomst, wordt hieromtrent een ontbindende voorwaarde opgenomen.

Artikel 8. Toepassingsbereik bij aanbestedingen

  1. 1.

    Een bestuursorgaan kan het Bibob-onderzoek ten aanzien van een gegadigde of onderaannemer in de zin van de wet, in beginsel alleen uitvoeren bij overheidsopdrachten, die vallen binnen de sectoren milieu, informatie-communicatie-technologie (ICT) of bouw en die, conform de geldende richtlijnen van de gemeente De Wolden, voor aanbesteden van werken respectievelijk van diensten en leveringen, openbaar moeten worden aanbesteed, dan wel, conform de geldende Europese richtlijnen, Europees moeten worden aanbesteed.

  2. 2.

    De Bibobtoets wordt in beginsel alleen uitgevoerd wanneer bij de aanvraag:

    1. a.

      vanuit eigen informatie, en/of

    2. b.

      vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC, en/of

    3. c.

      vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de wet,

    duidelijke aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat bij de aanvraag sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet.

Hoofdstuk 4. Uitvoering

Artikel 9. Eigen onderzoek

  1. 1.

    In de in deze beleidsregels bepaalde gevallen, zal betrokkene, naast de gebruikelijke aanvraagformulieren, de Bibob-vragenformulieren dienen in te vullen en in te leveren bij het bestuursorgaan. Daarbij dienen ook de documenten te worden gevoegd, die in deze vragenformulieren zijn vermeld en/of bij de uitreiking van de formulieren door of namens het bestuursorgaan zijn genoemd. De Bibob-vragenformulieren bevatten in elk geval de in artikel 30, tweede lid van de wet genoemde vragen en daarnaast aanvullende vragen, die het bestuursorgaan zo goed mogelijk in staat stellen om het eigen onderzoek te kunnen verrichten.

  2. 2.

    In geval de aanvraag betrekking heeft op een nieuwe beschikking, maken de Bibob-vragenformulieren onderdeel uit van de aanvraag.

  3. 3.

    Alvorens het eigen onderzoek naar het zich voordoen van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de wet wordt gestart, zal een aanvraag eerst beoordeeld worden conform de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de reguliere weigeringsgronden vanuit de onderliggende regelgeving van de desbetreffende vergunning.

  4. 4.

    Het daarop aansluitende eigen onderzoek naar het zich voordoen van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de wet bestaat uit een tweetal stappen, zoals uitgewerkt in bijlage 1 van deze beleidsregel.

Artikel 10. Informatieplicht

  1. 1.

    Het bestuursorgaan informeert betrokkene schriftelijk over een adviesaanvraag aan het Bureau. Betrokkene wordt daarbij gewezen op de opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 31, juncto art.15 van de wet. Een afschrift van deze brief wordt gevoegd bij het adviesverzoek aan het Bureau.

  2. 2.

    In geval een van het Bureau ontvangen adviesverzoek leidt tot het voornemen om een gevraagde beschikking te weigeren dan wel een eerder verleende beschikking in te trekken, wordt aan betrokkene een kopie van het adviesrapport ter hand gesteld. Betrokkene wordt daarbij door het bestuursorgaan gewezen op zijn geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 28 van de wet.

Artikel 11. Adviestermijn

  1. 1.

    Indien het bestuursorgaan een advies aanvraagt bij het Bureau, wordt op grond van artikel 31 van de wet, de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven, opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies door het Bureau in behandeling wordt genomen en eindigt met de dag waarop het advies is ontvangen, met dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan de termijn, zoals genoemd in artikel 15 lid 1 van de wet.

  2. 2.

    Indien het Bureau het advies niet binnen de in lid 1 gestelde termijn kan geven, heeft het de mogelijkheid om op grond van artikel 15, derde lid van de wet, de termijn te verlengen. Deze verlenging bedraagt niet meer dan de termijn, genoemd in artikel 15 lid 3 van de wet.

  3. 3.

    Het Bestuursorgaan informeert betrokkene onverwijld over een verlenging als bedoeld in het vorige lid.

  4. 4.

    De verlenging van de adviestermijn van het Bureau, alsmede eventuele tijdelijke opschorting van de adviestermijn van het Bureau in gevallen als bedoeld in artikel 15 lid 2 van de wet, leiden tot een verdere opschorting van de wettelijke beslistermijn op de beschikking.

Artikel 12. Beschikking

  1. 1.

    Het bestuursorgaan gaat over tot een negatief besluit op de aanvraag op de beschikking dan wel inschrijving op een overheidsopdracht of het aangaan van een vastgoedtransactie, indien uit het eigen onderzoek en een eventueel daarop afgegeven advies van het Bureau blijkt, dat er sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet. Daarbij zal in geval van een inschrijving op een overheidsopdracht, de geconstateerde ernstige mate van gevaar dienen als versterking van een of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2012.

  2. 2.

    Indien het bestuursorgaan voornemens is negatief te beschikken op de aanvraag op de beschikking dan wel inschrijving op een overheidsopdracht op grond van de wet, of het aangaan van een vastgoedtransactie wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld daartegen zienswijze in te brengen.

  3. 3.

    Een door het bestuursorgaan op grond van de wet genomen negatief besluit op de aanvraag voor een beschikking, is vatbaar voor beroep en bezwaar.

  4. 4.

    Het bestuursorgaan, die een advies van het Bureau als bedoeld in de wet ontvangt, kan dit advies gedurende twee jaren gebruiken in verband met een andere beslissing.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 13. Slotbepalingen

  1. 1.

    Deze beleidsregels treden in werking op 1 juli 2017

  2. 2.

    De ‘Beleidsregels Wet BIBOB’, vastgesteld op 19 juni 2007, worden ingetrokken.

  3. 3.

    Op een aanvraag ingediend voor inwerkingtreding van deze beleidsregels zijn de beleidsregels van toepassing zoals deze luidden ten tijde van de aanvraag. Het bevoegde bestuursorgaan kan bepalen dat deze beleidsregels van toepassing zijn.

  4. 4.

    Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als Beleidsregels BIBOB 2017.

Sluiting

Aldus vastgesteld door het college op 23 mei 2017.

De secretaris, De voorzitter,

N. Kramer, R. de Groot

en de burgemeester van De Wolden,

R. de Groot

Bijlage 1. eigen onderzoek naar het zich voordoen van de weigeringsgronden

Stap 1

Het onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van:

  1. .

    de door de aanvrager/houder van de vergunning aangereikte informatie/documenten bij de Bibob-vragenformulier(en) (inclusief bijlagen) en de door hem/haar daarbij aangeleverde documenten;

  2. .

    eventuele extra, op verzoek van het bevoegd gezag, door aanvrager/houder overlegde documenten of informatie;

  3. .

    open bronnen onderzoek (zoals Kamer van Koophandel, Kadaster etc).

De Bibob-gronden vormen een aanvulling op de reeds bestaande mogelijkheden om een vergunning te weigeren of in te trekken. Het bevoegd gezag zal echter altijd eerst de bestaande weigerings- en intrekkingsgronden onderzoeken en, zo mogelijk, toepassen.

Wanneer het Bibob-vragenformulier niet volledig wordt ingevuld, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling gesteld. Een weigering om gevraagde extra informatie aan te leveren dan wel onvolledig aan te leveren leidt tot het buiten behandeling stellen van de nieuwe aanvraag dan wel de mogelijkheid tot het intrekken van de reeds verstrekte vergunning.

Bij de uitvoering van het eigen onderzoek kan de informatiepositie van bestuursorganen versterkt worden vanuit het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC). Ook kan de gemeente desgewenst gebruik maken van de expertise van het RIEC.

Als het bestuursorgaan op basis van het eigen onderzoek in het kader van de Wet Bibob genoeg aanwijzingen heeft om in redelijkheid te kunnen aantonen dat er sprake is van een 'ernstig gevaar' als bedoeld in de Wet Bibob, kan het de vergunning weigeren of intrekken.

Stap 2

Aanvullend op de controle en analyse van de (extra) verstrekte informatie als hiervoor genoemd, kan een advies bij het Bureau worden gevraagd indien:

  1. a.

    na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of daarmee in verband te brengen betrokkenen, de financier van de betreffende activiteiten en/of onderneming of de eigenaar van het pand waarin de onderneming is gevestigd,

  2. b.

    na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de bedrijfsstructuur van aan de uitvoering van de beschikking te verbinden onderneming(en),

  3. c.

    na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de financiering van de aan de betreffende beschikking te verbinden activiteiten,

  4. d.

    de officier van justitie de gemeente de tip geeft om in een bepaalde zaak een bibob-advies aan te vragen.

Een toetsing aan de Wet Bibob met behulp van een advies van het Bureau geldt in beginsel als een uiterst middel om de integriteit van een betrokken (rechts)persoon te controleren. Bij deze zware inbreuk op de privacy moet het bevoegd gezag de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht nemen.

Deze eisen brengen mee dat het bevoegd gezag eerst, zoals hierboven is uitgewerkt, gebruik moet maken van de eigen instrumenten. Voorts moet het vragen van een advies evenredig zijn gelet op de mate van gevaar en de ernst van de strafbare feiten.

De adviesaanvraag bij het Bureau is geen beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiertegen staat derhalve geen bezwaar of beroep open. Wel is de aanvrager van een vergunning te allen tijde toegestaan de aanvraag in te trekken.

Bij een 'mindere mate van gevaar' dat de (aangevraagde) vergunning wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten en witwaspraktijken kan het bevoegd gezag extra voorwaarden aan de vergunning verbinden. Deze voorwaarden dienen bibob-gerelateerd te zijn.