Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente De Wolden 2015-2016

Home > Raad en College > Verordeningen, overige regelingen en beleidsregels > Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente De Wolden 2015-2016

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente De Wolden 2015-2016

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente De Wolden
Officiële naam regelingBeleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente De Wolden 2015-2016
CiteertitelBeleidsregels Wmo De Wolden 2015-2016
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht
  2. Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente De Wolden 2015

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
01-12-2015 n.v.t. Nieuwe regeling 17-11-2015 Gemeenteblad 1950

Tekst van de regeling

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Wolden;

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente De Wolden 2015, zoals vastgesteld door de raad in de vergadering van 30 oktober 2014;

Overwegende dat het gewenst is nadere regels te stellen ter uitvoering van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente De Wolden 2015;

Besluit:

a. in te trekken: “Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente De Wolden 2015”;

b. vast te stellen “Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente De Wolden 2015-2016” (citeertitel: ”Beleidsregels Wmo De Wolden 2015”.).

VOORWOORD 

In het sociale domein voltrekt zich in hoog tempo een aantal fundamentele veranderingen. Per 1 januari 2015 verandert voor inwoners het nodige als verantwoordelijkheden in het veld van zorg en ondersteuning bij gemeenten komen te liggen. Het contact tussen inwoner en overheid wordt dichterbij georganiseerd, zodat we de ondersteuning beter en meer op maat kunnen bieden. De eigen kracht en talenten van de cliënten en hun netwerk komen meer centraal te staan, met oog voor wat iemand zelf kan. We willen graag dat iedereen meedoet en niemand langs de zijlijn komt te staan. Waarbij we eigen verantwoordelijkheid als basisprincipe hanteren.

 

Als gemeente gaan we de komende jaren de verantwoordelijkheid dragen voor de Jeugdzorg, nieuwe Wmo-taken vanuit de AWBZ en voor de Participatiewet. Hiermee worden we geheel verantwoordelijk voor de activiteiten op het gebied van ondersteuning, begeleiding en re-integratie. Een kans om het anders te doen. En om het beter te doen. Anders en beter betekent ook: zoveel mogelijk doen met de beschikbare middelen. We maken ons sterk voor een soepele overgang van de taken. Daarbij zetten we eerst in op het doorgaan van de ondersteuning. Mensen die aangewezen zijn op hulp kunnen rekenen op onze steun.

 

Per 1 januari 2015 is de Wmo 2015 in werking getreden. Deze wet geeft de gemeente de verantwoordelijkheid voor de begeleiding van mensen met een beperking, de dagbesteding, ‘kort verblijf’ buitenshuis en het begeleid wonen. De gemeente was al verantwoordelijk voor het bevorderen van participatie en zelfredzaamheid van bewoners.

 

De essentie van de Wmo 2015 is dat mensen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen. Centraal staan de behoeften en eigen mogelijkheden van mensen. Daarna komt hulp van familie of anderen in de directe omgeving. Als de grenzen zijn bereikt van de eigen mogelijkheden en die van de sociale omgeving kan er ondersteuning via de gemeente komen in de vorm van algemene voorzieningen en als dat onvoldoende is kan er gekeken worden naar maatwerk. De gemeente doet bij een aanvraag om ondersteuning gedegen onderzoek naar wat mensen precies nodig hebben om de zelfredzaamheid te bevorderen en om mensen zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen. Dit gaat in goede samenspraak met de betrokkenen en de omgeving om te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening.

In 2015 ligt het accent op continueren van het bestaande. We moeten cliënten hun zorg kunnen garanderen. Met behoud van professionaliteit. We kiezen voor een soepele overgang en een zachte landing. Daarin blijven we, waar mogelijk, samenwerken met de bestaande aanbieders.

 

Daarnaast wordt zo spoedig mogelijk gestart met de ontwikkeling van vernieuwende arrangementen voor maatschappelijke dienstverlening. Dit gebeurt in samenspraak met cliënten(organisaties) en aanbieders van zorg, ondersteuning, begeleiding en dagbesteding. Daarbij kijken we ook naar het terrein van de Jeugd- en de Participatiewet. We streven naar een integrale aanpak van problemen bij mensen en gezinnen/huishoudens.

 

De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning, die voor u liggen, zijn een uitwerking van het Wmo-beleidsplan en de Verordening maatschappelijke ondersteuning De Wolden 2015 voor de verstrekking van maatwerkvoorzieningen. We kiezen ervoor om de huidige opzet van de beleidsregels voort te zetten.

 

Tot slot: het proces waar we als samenleving in zitten is geen statisch gebeuren. Onder invloed van de praktijk ontstaat er nieuwe jurisprudentie en nieuwe inzichten. Deze zullen weer zijn plaats moeten krijgen in met name de beleidsregels. Dat betekent dat we de beleidsregels regelmatig zullen bijstellen.

Hoofdstuk 1. Inleiding

Artikel

In dit hoofdstuk wordt een aantal kernbegrippen toegelicht en uitgewerkt.

Artikel 1.1. Zelfredzaamheid

Zelfredzaamheid is het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf in staat te zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Een algemeen gebruikelijke voorziening kan ook onderdeel uitmaken van iemand zijn zelfredzaamheid. Dit kan een dienst of een activiteit zijn, zoals een bezorgservice of kinderopvang. Het kan ook een hulp(middel) zijn, verhoogd toilet of elektrische fiets.

ZRM

De Zelfredzaamheid-Matrix (ZRM) heeft elf domeinen waarop de mate van zelfredzaamheid wordt beoordeeld, namelijk Financiën, Dagbesteding, Huisvesting, Huiselijke relaties, Geestelijke gezondheid, Lichamelijke gezondheid, Verslaving, Activiteiten dagelijks leven, Sociaal netwerk, Maatschappelijke participatie en Justitie.

Het college kan de ZRM matrix inzetten als instrument om de zelfredzaamheid van de individuele cliënt in kaart te brengen. De ZRM wordt eenmaal afgenomen bij een cliënt, de score geeft inzicht in de zelfredzaamheid. Ook wordt de matrix ingezet om de voortgang en ontwikkeling van de zelfredzaamheid te bepalen.

De ZRM wordt in eerste instantie ingezet bij cliënten die een hulpvraag hebben op het gebied van thuishulp en/of begeleiding. In de bijlage wordt de ZRM nader uitgelegd.

Artikel 1.2. Participatie

Volgens de wettelijke definitie gaat het bij participatie om ‘deelnemen aan het maatschappelijke verkeer’. Dat wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Participatie is sterk individueel bepaald en de mogelijkheden zullen samenhangen met de beperking.

Artikel 1.3. Eigen verantwoordelijkheid

De Wmo is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van voorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen ligt het probleem op te lossen. De eigen verantwoordelijkheid komt tijdens een gesprek aan de orde.

Een oplossing van problemen kan bijvoorbeeld al aanwezig zijn in die zin dat deze feitelijk al jaren behoort tot iemands normale levenspatroon. Bij problemen met het schoonhouden van het huis zijn er talloze mensen die gewend zijn daar iemand voor in te huren, zoals tweeverdieners of mensen met voldoende inkomen. In deze situatie hoeft niets te veranderen, als men op basis van leeftijd of een ongeval beperkingen krijgt. Door voort te zetten wat men had ontstaat er geen probleem dat om een oplossing vraagt. Dat zou anders kunnen zijn als door het ontstaan van de beperking het inkomen daalt. Het kan dan zijn dat iemand de eerder ingehuurde schoonmaakhulp niet meer kan betalen. Dat zou aanleiding kunnen zijn wel te compenseren. Daarvoor zal een zorgvuldig onderzoek verricht moeten worden.

Het kan ook zijn dat er (veel) meer thuishulp nodig is. Dan zou het kunnen zijn dat er wel sprake is van meerkosten en dat er daardoor gecompenseerd moet worden.

Eigen verantwoordelijkheid betekent dat iemand verantwoordelijk is voor de keuzes die hij zelf maakt. Eigen verantwoordelijkheid nemen is bijvoorbeeld ook kijken naar nieuwe technische ondersteuningsmogelijkheden waardoor iemand meer zelf kan gaan doen in huis. Belangrijk is dat in een gesprek goede voorlichting wordt gegeven en dat in gezamenlijkheid gekeken wordt naar invulling van het begrip ‘eigen verantwoordelijkheid’.

Een ander voorbeeld is het vervoer. Veel mensen zijn op dit moment gewend al bijna hun hele leven gebruik te maken van een auto. Als zij een beperking krijgen, door leeftijd of door een ongeval, hoeft er in feite niets te veranderen, als zij met diezelfde auto in staat blijven hun verplaatsingen te maken. Er hoeft dan niet gecompenseerd te worden. Dat zou anders kunnen zijn als zij door hun beperking veel meer verplaatsingen moeten gaan maken, of als de auto voor hun handicap aangepast zou moeten worden. In het eerste geval kan onderzoek verricht worden naar de aard van de extra ritten en de kosten daarvan, in relatie tot het eerdere verplaatsingspatroon en zou compensatie mogelijk zijn als er blijkt dat er sprake is van meerkosten. In het tweede geval, waarin sprake is van noodzakelijke autoaanpassingen, is er sprake van meerkosten: zonder beperking waren de autoaanpassingen niet nodig geweest. Voor de meerkosten is compensatie mogelijk.

Ook bij woonvoorzieningen speelt de eigen verantwoordelijkheid een grote rol. Als iemand 65 is en zijn badkamer gaat renoveren mag een gemeente veronderstellen dat hij - ook al zijn er nog geen beperkingen - rekening houdt met het gegeven dat hij een dagje ouder wordt. Dat betekent dat de persoon in kwestie aan een douche moet denken in plaats van uitsluitend een bad. Daar spelen allerlei individuele factoren natuurlijk in mee, zoals: is er plaats voor, wat is de rol van het bad voor therapie e.d.

Artikel 1.4. Algemene voorziening

Als iemand zijn zelfredzaamheid en/of participatie kan verbeteren met een algemene voorziening, komt hij op dat punt niet meer in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. 

Wanneer blijkt dat de cliënt niet op eigen kracht of met hulp van het sociaal netwerk tot een oplossing kan komen, wordt beoordeeld of er zogenaamde algemene voorzieningen zijn die de problemen die de cliënt ervaart (gedeeltelijk) kunnen oplossen. Algemene voorziening is een breed begrip. Het betreft voorzieningen waar iedereen, zonder indicatie of andere vorm van toegang, gebruik van kan maken. Algemene voorzieningen kunnen commerciële diensten zijn zoals een boodschappenbezorgdienst maar ook diensten zonder winstoogmerk, zoals het restaurant van een verzorgingshuis waar buurtbewoners tegen een geringe vergoeding kunnen eten.

Voorbeelden van algemene voorzieningen:

  1. .

    Sport- en culturele activiteiten

  2. .

    Alarmering, pictogrammenbord of domotica in huis

  3. .

    Gezelschap of ondersteuning door vrijwilliger

Artikel 1.5. Maatwerkvoorziening

Een maatwerkvoorziening is aanvullend op wat iemand zelf kan bijdragen, en vormt samen met de inzet van eigen kracht of, indien van toepassing, gebruikelijke hulp of mantelzorg een samenhangend ondersteuningsaanbod, ofwel maatwerk. Voor een maatwerkvoorziening zijn twee financieringsvormen mogelijk, namelijk in natura of een persoonsgebonden budget. Een maatwerkvoorziening wordt op grond van de wet in natura toegekend, tenzij de aanvrager een gemotiveerd verzoek doet om een persoonsgebonden budget. Voor een maatwerkvoorziening geldt, met uitzondering van rolstoelen, een inkomensafhankelijke eigen bijdrage.

Hoofdstuk 2. Procedure

Artikel 2.1. Vaststelling identiteit

De gemeente is wettelijk verplicht om de identiteit vast te stellen van de personen aan wie de gemeente een dienst verleent. Dat geldt ook voor cliënten die zich melden bij het Wmo-loket met een hulpvraag. Daarom wordt aan alle nieuwe en onbekende klanten gevraagd naar een geldig legitimatiebewijs. Dit kan een geldig paspoort, ID-kaart of rijbewijs zijn.

Bij een eerste melding of aanvraag moet een leesbare kopie of foto van een geldig legitimatiebewijs toegevoegd worden aan het dossier, ook als het gaat om een telefonische intake.

Bij een vervolgmelding of –aanvraag wordt het BSN-nummer en het nummer van het legitimatiebewijs genoteerd.

Artikel 2.2. Melding

Wie

Inwoners van De Wolden met ondersteuningsvragen op het gebied van wonen, welzijn, zorg en onderwijs kunnen met deze vragen bij het Sociaal Team terecht.

Door of namens een cliënt kunnen ondersteuningsvragen vormvrij worden ingediend. Naast de inwoner kan ook diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene een melding doen. Dit kan via het algemene telefoonnummer, via de balie of via één van de samenwerkende organisaties.

Informatie en advies

Soms blijkt na een korte vraagverkenning dat met informatie en advies de ondersteuningsvraag is beantwoord. Als dat het geval is dan wordt dat ook vastgelegd.

Wanneer verdere vraagverheldering of verdieping nodig is, dan wordt een afspraak gemaakt om een gesprek te voeren, waarin de situatie uitgebreid wordt besproken

Registratie

Vanaf de datum van melding begint de termijn van zes weken onderzoek te lopen. De ontvangst van de melding wordt schriftelijk bevestigd. 

Spoed

In spoedeisende gevallen treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 2.3. Onderzoek

Sociaal Team

Alle meldingen waarvoor een onderzoek nodig is komen terecht bij het Sociaal Team De Wolden. Meldingen kunnen op verschillende plaatsen binnenkomen en op verschillende manier kunnen worden gedaan, maar komen allemaal in hetzelfde registratiesysteem terecht. Meldingen kunnen in de netwerkorganisatie met elkaar gedeeld worden. Hierover hebben de organisaties, die samen het sociale team vormen, onderling afspraken gemaakt in overeenstemming met de privacyregelgeving.

Het gesprek

In de uitnodiging voor een gesprek wordt de client geattendeerd op de mogelijkheid en wenselijkheid dat een derde (bijvoorbeeld familielid, mantelzorger of begeleider) bij het gesprek aanwezig is.

Het gesprek is het uitgangspunt tijdens het uitgebreide onderzoek naar de situatie van de cliënt . In dit gesprek wordt er actief meegedacht over zaken zoals algemene voorziening, eigen kracht, het inzetten van het eigen netwerk. In het gesprek wordt er samen met de cliënt gekeken hoe de cliënt zelf of met steun van zijn omgeving het probleem op kan lossen. Uitgangspunt bij het gesprek is de eigen verantwoordelijkheid. Vervolgens wordt beoordeeld of een vrijwilliger of een algemene voorziening een oplossing kan bieden. Mochten alle voorliggende zaken onvoldoende oplossing bieden dan wordt er onderzocht of een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 een oplossing kan bieden.

Gegevensverzameling

De betrokken cliënt kan gevraagd worden gegevens en informatie te verstrekken die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij  redelijkerwijs kan beschikken. Waar mogelijk wordt de mantelzorger of de vertegenwoordiger van degene waar de ondersteuningsvraag betrekking op heeft betrokken bij het onderzoek.

Ook bestaande zorgplannen, al uitgevoerde diagnostische onderzoeken en informatie van professionals kunnen onderdeel uitmaken van het onderzoek.

Bij de gegevensverzameling zullen de grenzen van de Wet bescherming persoonsgegevens in acht genomen worden. Voor zover het al niet in de wet is geregeld heeft het College toestemming nodig om gegevens van inwoners te verwerken en zal in het onderzoek de inwoner toestemming vragen om zijn persoonsgegevens te verwerken.

Artikel 2.4. Verslag

Van het onderzoek wordt door de Wmo consulent een verslag gemaakt dat binnen 10 dagen na het gesprek aan de client en/of diens vertegenwoordiger wordt verstrekt. De cliënt heeft de mogelijkheid om later in het verslag opmerkingen en aanvullingen aan te brengen. Deze komen niet in plaats van het oorspronkelijke verslag, maar worden aan het oorspronkelijke verslag toegevoegd. Het verslag kan niet gecorrigeerd worden door cliënt.

Artikel 2.5. Aanvraag

Wie

Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.

Een ondertekend verslag van het gesprek kan ook als aanvraag aangemerkt worden als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.

Hoe

Binnen 2 weken na het indienen van de aanvraag op grond van de Wmo 2015, ontvangt de cliënt schriftelijk de beslissing op de aanvraag.

Een aanvraag kan alleen door de gemeente in behandeling worden genomen wanneer een aanvraagformulier of gespreksverslag voorzien van naam, adres en ondertekening door de inwoner (of gemachtigde) bij de gemeente is ingeleverd. 

Als er nog stukken ontbreken, vraagt de gemeente de inwoner om de aanvraag aan te vullen (artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht).

In de aanvraagprocedure kan medisch of ergonomisch advies onderdeel uitmaken van het onderzoek. Dit onderzoek vindt zo spoedig mogelijk plaats. In verband met dit onderzoek kan de beslistermijn opgeschort worden.

Hoofdstuk 3. Criteria maatwerkvoorziening

Artikel 3.1. Voorzienbaarheid en vermijdbaarheid

Uit de criteria voor een maatwerkvoorziening in artikel 8 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning blijkt dat de cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs niet vermijdbaar was, de voorziening niet voorzienbaar was of van de cliënt niet verwacht kon worden dat hij maatregelen getroffen zou hebben die de hulpvraag overbodig hadden gemaakt.

Voorbeeld

Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer men verhuist naar een woning waarvan bij verhuizing redelijkerwijs duidelijk is dat deze niet geschikt is voor de cliënt of zijn huisgenoten, dat men niet in aanmerking komt voor woningaanpassingen, als er ten tijde van de verhuizing een geschiktere woning beschikbaar is.

Artikel 3.2. Sociale omstandigheden

Hierbij wordt onder andere gekeken naar de gezinssamenstelling, het wel of niet aanwezig zijn van een sociaal netwerk, beschikbare mantelzorg etc. Tevens wordt onderzocht of het ondersteunen bij het opzetten van een sociaal netwerk een mogelijke oplossing is.

Ook hierbij kunnen externe deskundigen worden ingeschakeld.

Artikel 3.2.1. Gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp is hulp of ondersteuning waarvan het gebruikelijk is dat huisgenoten en/of directe familieleden dit voor elkaar doen. Dit betekent bijvoorbeeld bij het huishouden dat, als cliënt zelf het huishouden niet meer kan doen, de huisgenoten die taken in principe moeten overnemen. Maar onder gebruikelijke hulp kan ook vallen dat huisgenoten elkaar helpen bij het vervoer van en naar allerlei afspraken.

Gebruikelijke hulp bij hulp in het huishouden.

Tot de leefeenheid behorende huisgenoten zijn bijvoorbeeld echtgeno(o)t(e), partner, inwonende kinderen ouder dan 18 jaar en/of andere inwonende personen. Van kinderen van 18 tot 23 jaar wordt verwacht dat zij in staat zijn om een eenpersoonshuishouden te voeren. Deze kinderen kunnen een deel van de huishoudelijke taken op zich nemen. Van alle huisgenoten vanaf 23 jaar wordt verwacht dat zij in staat zijn een meerpersoonshuishouden te voeren.

Of er sprake is van inwoning wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Hier kan bijvoorbeeld om een huurcontract worden gevraagd, indien dit aan de orde is.

Bij gebruikelijke hulp wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan of studie een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende 5 etmalen aaneengesloten zullen de niet uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland.

Voor kinderen die tot het meerpersoonshuishouden behoren, gelden de volgende uitgangspunten:

  1. 1.

    Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.

  2. 2.

    Kinderen van 5 tot 13 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden zoals opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand doen.

  3. 3.

    Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken, hun eigen kamer op orde houden, dat wil zeggen rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.

  4. 4.

    Taken van een 18 tot 23 jarige: van een volwassen gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. Een 18 tot 23 jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden (tweekamer woning) te kunnen voeren.

  5. 5.

    Inwonende kinderen van 23 jaar of ouder worden in staat geacht om een volledig huishouden te runnen.

Bij dreigende overbelasting van de huisgenoot kan een beroep worden gedaan op de compensatieplicht uit de Wmo. Concreet betekent dit dat, ondersteuning kan worden geboden bij het functioneren van het huishouden.

Gebruikelijke hulp bij vervoer

Als de partner van een cliënt met een vervoersprobleem de beschikking heeft over een auto en hij is redelijkerwijs in de gelegenheid om cliënt van en naar afspraken te brengen, wordt van hem verwacht dat hij actief bijdraagt aan het oplossen van het vervoersprobleem.

Gebruikelijke hulp bij persoonlijke verzorging

Volwassenen onderling

Van belang is onderscheid te maken tussen:

  1. .

    gebruikelijke persoonlijke verzorging van partners voor elkaar,

  2. .

    gebruikelijke persoonlijke verzorging van volwassen huisgenoten voor elkaar, w.o. inwonende volwassen kinderen (> 18 jaar) voor hun ouders.

Van partners wordt verwacht dat zij naar vermogen elkaar persoonlijke verzorging bieden in kortdurende zorgsituaties (< 3 maanden) met uitzicht op herstel.

Bij een zorgvraag die naar verwachting langer dan 3 maanden zal gaan duren, is persoonlijke verzorging –indien voorzienbaar vanaf het begin- ook tussen partners geen gebruikelijke zorg. Wanneer de partner voor het deel dat de gebruikelijke zorg overstijgt, een aanvraag indient voor Wmo of Zvw-zorg, dient dat te worden opgevat als een signaal dat de mantelzorg niet vrijwillig wordt gegeven.

Persoonlijke verzorging van huisgenoten, anders dan partners, onderling is geen gebruikelijke zorg. De zorgplicht van partners onderling betreft persoonlijke, lichamelijke zorg inclusief assistentie bij de algemeen dagelijkse levensverrichtingen, aandacht en begeleiding bij ziekte en psychosociale problemen. Dit betreft in ieder geval kortdurende zorgsituaties (tot 3 maanden) met uitzicht op herstel.

Een voorbeeld hiervan is de zorg voor een huisgenoot tijdens een kortdurend gezondheidsprobleem als herstel na een operatie, griep, gekneusde ledematen e.d. Deze vorm van zorg is in principe (afhankelijk van de aard, omvang en duur) gebruikelijk.

Leefeenheid met kinderen die extra zorg nodig hebben

Bij het beoordelen van de extra draaglast van ouders met een kind met een handicap, chronische ziekte of andere beperkingen in het functioneren, wordt gekeken naar wat een kind zonder die beperkingen in vergelijkbare omstandigheden aan zorg nodig zou hebben. Daar waar de gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen aanmerkelijk wordt overschreden wordt indien gevraagd persoonlijke verzorging geïndiceerd. Zo kan worden onderbouwd dat bijvoorbeeld de zorg voor kinderen van 0-5 niet per definitie alleen gebruikelijke zorg is.

Voor de gebruikelijke zorg conform de leeftijd van het kind kan geen beroep gedaan worden op de Zvw of Wmo. Extra zorg overtreft de normale zorg door extra duur en intensiteit van toezicht, verzorging en begeleiding. Deze extra zorg valt onder de persoonlijke verzorging of begeleiding, afhankelijk van het doel.

Kinderen van 0 tot 5

  1. .

    kunnen niet zonder toezicht van volwassenen;

  2. .

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotore ontwikkeling;

  3. .

    zijn tot 4 jaar niet zindelijk;

  4. .

    moeten volledig verzorgd worden: aan- en uitkleden, eten, wassen;

  5. .

    hebben begeleiding nodig bij hun sport/spel/vrijetijdsbesteding;

  6. .

    sport- en hobbyactiviteiten niet in verenigingsverband;

  7. .

    zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven.

Kinderen van 5-12

  1. .

    kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school;

  2. .

    kunnen niet zonder toezicht van volwassenen;

  3. .

    hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging;

  4. .

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotore ontwikkeling;

  5. .

    zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook;

  6. .

    hebben bij hun vrijetijdsbesteding alleen begeleiding nodig in het verkeer wanneer zij van en naar hun activiteiten gaan;

  7. .

    hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;

  8. .

    sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, ongeveer 2 maal per week.

Kinderen van 12 tot 18 jaar

  1. .

    hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

  2. .

    kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden

  3. .

    kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen

  4. .

    hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

  5. .

    hebben geen begeleiding nodig van en naar hun vrijetijdsactiviteiten;

  6. .

    sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, een onbekend aantal keren per week;

  7. .

    hebben tot 16 jaar een reguliere dagbesteding op school;

  8. .

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk).

Voor de activiteiten die een kind zonder beperkingen niet zelfstandig uitvoert, geldt een zorgplicht van ouders. Het betreft hier dus gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen.

Verpleging is geen gebruikelijke zorg

Kortdurende zorg en verpleging van zieke kinderen thuis behoort ook tot de gebruikelijke zorg van ouders voor hun kinderen. Verpleging van een (chronisch) ziek kind is geen gebruikelijke zorg. De verpleegkundige handelingen die moeten worden uitgevoerd kunnen worden geïndiceerd. Indien het kind is aangewezen op voortdurend nabij toezicht is dat –conform leeftijd- wel gebruikelijke zorg.

Gebruikelijke hulp bij begeleiding

Begeleiding bij volwassenen onderling

Bij volwassenen onderling kan van partners en andere volwassen huisgenoten ten opzichte van elkaar worden verondersteld dat een groot deel van het sociaal verkeer gezamenlijk plaatsvindt, en begeleiding door onderling dus gebruikelijk is. Inwonende volwassenen waaronder partner, huisgenoot of volwassen kinderen (> 18 jaar) worden verondersteld de praktische, ondersteunende begeleiding in het normale maatschappelijke verkeer te verzorgen.

Ouders voor kinderen

Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Binnen de begeleiding spitst de vraag van ouders van kinderen met beperkingen zich toe op oppasvoorziening, begeleiding bij onderwijs en vrije tijdsactiviteiten en ondersteuning mantelzorg. Dit zijn domeinen, waarbij de afweging van wat gebruikelijke zorg en wat extra zorg is, aan de orde is. Toch zal eventuele overbelasting altijd onderzocht en eventueel meegewogen moeten worden.

Bij begeleiding is de afweging voor welke voorliggende voorzieningen wettelijke regelingen bestaan van belang.

Artikel 3.2.2. Mantelzorg

Mantelzorg is zorg die wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving waarbij

- de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en

- de zorg niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt verleend.

Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) zorg in zwaarte, duur en of intensiteit aanmerkelijk overschreden. Mantelzorg komt na gebruikelijke zorg.

Binnen een leefeenheid is er nooit sprake van mantelzorg als het gaat om het functioneren van het huishouden, maar betreft het altijd gebruikelijke zorg. Als de mantelzorger van buiten de leefeenheid komt, kan het functioneren van het huishouden deel uitmaken van de mantelzorg.

Om een mantelzorger te ondersteunen kan een beroep worden gedaan op de Wmo. Concreet betekent dit dat bij dreigende overbelasting van de mantelzorger, ondersteuning kan worden geboden bij het functioneren van het huishouden en/of de begeleiding van cliënt, niet zijnde de mantelzorger.

Artikel 3.3. Vervanging van een eerder verstrekte maatwerkvoorziening

Als er sprake is van vervanging van een eerder verstrekte maatwerkvoorziening dan kan dit alleen als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, tenzij:

  1. .

    de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan en dat de cliënt niet aan te rekenen is;

  2. .

    de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten; of

  3. .

    de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

Voorbeeld

Dit kan bijvoorbeeld zijn omdat de medische beperkingen zijn toegenomen.

Artikel 3.4. Goedkoopst adequate voorziening

De verstrekking is altijd gebaseerd op de goedkoopst adequate voorziening. Er zijn vaak meerdere geschikte oplossingen, maar er wordt gekozen voor de oplossing die naar objectieve maatstaven de goedkoopste is. Indien de inwoner een duurdere voorziening wil (die eveneens adequaat is) komen de meerkosten voor rekening van de cliënt.

Hoofdstuk 4. Begeleiding

Artikel

Tot 2015 was begeleiding een functie in de AWBZ. Binnen de AWBZ werd geïndiceerd op basis van grondslagen. Binnen de Wmo wordt geïndiceerd op basis van de objectieve beperkingen die een cliënt in het dagelijkse leven ondervindt.

 

De taken worden niet overgeheveld vanuit de AWBZ naar de Wmo. De opdracht aan gemeenten is om te onderzoeken hoe bestaande vormen van begeleiding, anders en dichterbij de cliënt kunnen worden georganiseerd en om nieuwe vormen van algemene voorzieningen en maatwerk te ontwikkelen.

Het jaar 2015 is een overgangsjaar. In dat jaar staat de zorgcontinuïteit voorop. Daarover zijn afspraken gemaakt met zorgaanbieders. In principe behoudt iedere klant de begeleiding die hij in 2014 heeft en waarvan de indicatie doorloopt na 1-1-2015 in dezelfde vorm.

In de loop van 2015 vindt met alle cliënten een gesprek plaats, waarbij aan de hand van de Wmo-systematiek besproken wordt welke zorgplicht ten aanzien van zelfredzaamheid en participatie de gemeente heeft voor deze cliënt. In de Wmo vormt het gesprek de basis om te komen tot maatwerk.

Persoonlijke verzorging:

Ondersteuning bij de persoonlijke verzorging kan als individuele ondersteuning worden ingezet in de verschillende categorieën. Indien er bij de Inwoner sprake is van behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop en de ondersteuning bij de persoonlijke zorg daaraan gerelateerd is dan wel te relateren is, dan valt deze ondersteuning onder de ZVW.

 

Individuele begeleiding Basis:

De aanbieder heeft houdt zich m.n. bezig met zijn of haar expertise. Wanneer er sprake is van het vervullen van een sleutelrol met andere aanbieders, dan zijn de doelen helder en de uitvoerders goed in staat deze taken uit te voeren. Er is sprake van continue ondersteuning. Bijvoorbeeld bij een multi problematische casus waarin er op veel vlakken doelen liggen, maar waar voldoende hulp aanwezig is en wordt uitgevoerd door bijvoorbeeld de Thuisbegeleiding; GGZ, SPV en Psychiater; Bewindvoerder; Maatschappelijk werk; Pleegzorg, jeugdzorg.

 

Individuele begeleiding Plus:

De aanbieder voert vele activiteiten uit én heeft een sleutelrol in het regisseren van de betrokkenen (mantelzorg / netwerk/ vrijwilligers / professionals) én er is sprake van meervoudige problematiek.

 

De begeleidingsdoelen liggen op verschillende vlakken. Oplossingen moeten worden gevonden omdat gevoelens en gedachten, bijvoorbeeld somberheid, angstig of boosheid, oorzaak zijn van de hulpvraag. Daardoor heeft de Inwoner met andere mensen of instanties moeilijkheden.

 

In sommige gevallen is in korte tijd (vaak bij crisis) veel te bereiken omdat de crisis bedongen moet worden Vaak wordt een hulpverleningsplan uitgewerkt, het gaat dan om toeleiding naar juiste zorg. Voorbeelden zijn:

  1. -

    bij opvoedingsproblemen: opvoedingsondersteuning,

  2. -

    bij problematiek kinderen/ouders GGZ ingeschakeld in de vorm van spv’er en/of psychiater (denk aan persoonlijkheidsproblematiek, verslavingen, autisme spectrum stoornissen e.d.)

  3. -

    financiën: bewindvoering /schuldhulpverlening opgezet

  4. -

    bij vervuiling / verzamelwoede, bijvoorbeeld samenwerking met begeleidende instantie en woningbouw corporaties etc.

  5. -

    Werkloos, trajecten UWV, Bijstand, Vinden van dag/weekinvulling waarbij rekening gehouden wordt met problematiek.

Wanneer deze eerste ‘roerige’ fase afgerond is, zal er indien mogelijk afgeschaald worden of vindt er een nieuwe beoordeling plaats.

 

Individuele begeleiding Speciaal:

De aanbieder biedt aan inwoners met een zintuiglijke beperking specialistische ondersteuning. Het betreft hier meestal naast de zintuiglijke beperking, ook vaak een verstandelijke en/of psychiatrische) beperkingen. Deze combinatie van beperkingen maakt het complex.

 

Het aanbod van specialistische ondersteuning voor deze doelgroep wordt voor het grootste gedeelte door een beperkt aantal landelijke ZG-aanbieders in Nederland geleverd. Het kan echter ook door regionale aanbieders worden geboden die geen landelijk contract hebben afgesloten.

 

Groep licht

Dagprogramma met accent op begeleiding in groepsverband, gericht op bijhouden van vaardigheden; eventueel aangevuld met lichte assistentie bij persoonlijke zorg. Het dagprogramma zal bijdragen aan verlichting van sociaal isolement van de betreffende cliënt, of aan verlichting van de zorg thuis door mantelzorgers. Tijdens dagactiviteit is weinig of slechts beperkte verzorging nodig.

 

De groepsgrootte wordt niet alleen bepaald door de zorgzwaarte van de cliënt maar hangt ook samen met de aard van de aangeboden dagbestedingactiviteiten.

 

Het dagprogramma legt naar inhoud een accent op zelfgekozen bezigheid en activering (activiteiten gericht op zinvol besteden van de dag, aangepast aan mogelijkheden en interesse van de cliënt, waaronder handvaardigheid, expressie, beweging, belevingsactiviteiten); waar onder vaardigheidstraining. “activering, individueel belevingsgericht” belevingsgerichte activiteiten op een eenvoudig niveau met extra aandacht voor sfeer, geborgenheid, veiligheid, ritme en regelmaat).

 

De begeleiding kan ook gericht zijn op arbeidsmatig werken (activiteiten met een zelfstandig karakter waarbij het vaak zal gaan om het tot stand brengen van een product of dienst, afgestemd op de mogelijkheden en interesse van de cliënt).

 

Groep Midden

Dagactiviteit voor inwoners die als gevolg van hun beperkingen niet kunnen participeren (maatschappelijke integratie is niet mogelijk). De activiteit vindt plaats, buiten de woonsituatie, in groepsverband. Er is sprake van meervoudige problematiek.

 

De begeleidingsdoelen liggen op verschillende vlakken. Oplossingen moeten worden gevonden omdat gevoelens en gedachten, bijvoorbeeld somberheid, angstig of boosheid, oorzaak zijn van de hulpvraag en daarmee samenhangende beperkingen (onder meer sociale redzaamheid).

 

Het programma legt naar inhoud in verhouding tot groep licht bij arbeidsmatige activiteiten meer een accent op gestructureerde activiteiten, waarbij met de cliënt gerichte afspraken zijn gemaakt over de werkzaamheden die verricht zullen worden (er is een overeenkomst tussen cliënt en aanbieder). Het gaat om onbetaalde werkzaamheden. Er zijn duidelijke afspraken gemaakt over het aantal dagdelen dat de cliënt werkzaam is en het tijdstip waarop de werkzaamheden verricht worden.

 

De volgende punten zijn van belang:

  1. -

    arbeidsmatige activiteiten hebben betekenis in het kader van persoonlijke ontplooiing en verkenning van individuele mogelijkheden, bijvoorbeeld gericht op het opdoen van arbeidservaring of het toeleiden naar een (on-)betaalde baan;

  2. -

    arbeidsmatige activiteiten zijn gericht op het aanleren en/of onderhouden van arbeidsvaardigheden; er is een stimulerend leer- en oefenmilieu;

  3. -

    arbeidsmatige activiteiten zijn gericht op “herstel” van bijvoorbeeld somberheid, angstig of boosheid en daarmee samenhangende beperkingen. Dit herstel draagt bij aan bevordering van maatschappelijke re-integratie;

 

Groep Zwaar

Dagactiviteit in groepsverband, waarbij intensieve begeleiding in samenhang staat met persoonlijke verzorging en met behandeling (op de achtergrond). Deze activiteiten vinden overdag plaats, buiten de woonsituatie, in groepsverband.

 

Er is een multidisciplinaire benadering en advisering. Het programma is bedoeld voor zelfstandig wonende inwoners met uitgebreide beperkingen bij het dagelijks functioneren (persoonlijke zorg, mobiliteit, zelfredzaamheid), veelal samenhangend met chronische aandoeningen.(waaronder een sterk verminderde zelfregie door zoals bij dementie, verstandelijke handicap, stabiele psychische stoornis, ernstige lichamelijke handicap).

Het programma - dat gedurende een lange periode wordt geboden – legt naar inhoud in verhouding tot groep licht en midden meer een accent op het stabiliseren van functioneren en voorkomen van verergering van klachten.

 

Het aanbod van dagactiviteit is gericht op:

  1. -

    ondersteuning bij de dagbesteding en bij sociale activiteiten;

  2. -

    stabilisering van functioneren en voorkomen van verergering van beperkingen;

  3. -

    leren omgaan met fysieke en/of cognitieve beperkingen;

  4. -

    voorkomen van achteruitgang in fysieke, cognitieve en sociaalemotionele vaardigheden.

 

Het programma kan ertoe bijdragen dat de inwoner op verantwoorde wijze in de vertrouwde thuissituatie kan blijven wonen. Het kan ook bijdragen tot vermindering van de belasting van mantelzorgers. De groepsgrootte wordt niet alleen bepaald door de zorgzwaarte van de cliënt maar hangt ook samen met de aard van de aangeboden activiteiten.

 

Vervoer naar begeleiding in groepsverband

Als een cliënt in aanmerking komt voor Begeleiding Groep zal ook worden onderzocht of de cliënt in staat is om de locatie van de dagbesteding te bereiken. Allereerst zal gekeken worden of er een geschikte dagbesteding in de buurt van de cliënt is om de reisafstand en reistijd te beperken. Wanneer een klant in staat is met het openbaar vervoer te reizen (eventueel na oefenen onder begeleiding) of met de fiets of een ander vervoermiddel zelfstandig (of onder begeleiding van mantelzorg of vrijwilliger, indien beschikbaar) de locatie kan bereiken dan is dat uiteraard voorliggend. Wanneer dit niet mogelijk is zal vervoer van en naar de locatie worden toegevoegd aan het maatwerk. De aanbieder is dan verantwoordelijk voor het vervoer.

 

Respijtzorg

Om mantelzorgers te ontlasten kan iemand kortdurend logeren in een instelling. Wanneer er sprake is van plotseling wegvallen van de mantelzorger kan ook sprake zijn van een planbare, voorzienbare afwezigheid, zoals een geplande ziekenhuisopname van de mantelzorger.

 

De aanbieder zorgt bij kortdurend verblijf voor opvang, maar ook het eventueel benodigde toezicht, dagbesteding en begeleiding. Dit verblijf kan gecombineerd worden met huisartsgeneeskundige of verpleegkundige zorg vanuit de Zvw. Het is aan de huisarts in samenspraak met de (wijk)verpleegkundige om te beoordelen of deze zorg adequaat geleverd kan worden via visites van huisarts en/of verpleegkundige. Het is ook mogelijk om een begeleider/verzorger thuis te laten overnachten. Het gaat hier wel om kortdurend verblijf, waarbij we in weken denken en niet in maanden.

Er moet bij dit product altijd worden gekeken naar de Subsidieregeling eerstelijns verblijf 2015.

Hoofdstuk 5. Beschikking

Artikel 5.1. Inhoud beschikking

In artikel 10 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning is geregeld wat in ieder geval in de beschikking moet staan. In de beschikking wordt verder vermeld dat de inwoner wijzigingen in zijn of haar omstandigheden aan het college moet melden.

Artikel 5.2. Einde beschikking

Een toekenning eindigt wanneer de indicatieperiode is verstreken. In de volgende situaties komt eveneens een einde aan het recht op een voorziening:

  1. 1.

    de inwoner verhuist naar een andere gemeente;

  2. 2.

    de inwoner overlijdt;

  3. 3.

    de situatie van de inwoner is veranderd en het college stelt vast dat de verstrekte voorziening niet meer voldoet.

 

Een verandering van de situatie dient, zoals hiervoor aangegeven, door de inwoner te worden doorgegeven aan de gemeente. Het college zal dan zo nodig een besluit nemen over een nieuw toe te kennen voorziening en de huidige voorziening intrekken.

Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden budget

Artikel

Een maatwerkvoorziening wordt in principe in natura toegekend, tenzij de aanvrager een gemotiveerd verzoek doet om een persoonsgebonden budget (pgb) als financieringsvorm van de maatwerkvoorziening. De budgethouder is zelf verantwoordelijk voor het inkopen van de individuele voorziening, hulpmiddel of hulp en, waar het gaat om een hulpmiddel, het onderhoud, de reparaties en de verzekering.

Artikel 6.1. Persoonlijk budgetplan

Als een cliënt een pgb wenst, dient hij een persoonlijk budgetplan op te stellen. Uit het persoonlijk plan dat een cliënt opstelt, moet tenminste blijken:

  1. .

    Waarom de cliënt een pgb wil (motivering);

  2. .

    Hoe de ondersteuning veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt ingericht (kwaliteit);

  1. .

    Van wie hij de ondersteuning wil inkopen (professionals of mensen uit het eigen

netwerk).

Het persoonlijk plan maakt de kwalitatieve verantwoording van het pgb inzichtelijk, als concreet vastgelegd is bij wie er zorg ingekocht gaat worden. Voor het format, zie bijlage IV.

 

Motivering

Een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt alleen verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt. Door de motiveringseis wordt de inwoner gestimuleerd na te denken over de invulling van zijn ondersteuningsvraag en deze te concretiseren.

 

Kwaliteit

Bij de beoordeling of een cliënt voor een pgb in aanmerking komt onderzoekt het college of de maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Daarbij wordt tevens beoordeeld of de maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt.

 

Wie de ondersteuning biedt

De cliënt kan de wens uitspreken om zijn sociale netwerk in te willen zetten. In navolging van de regering is de gemeente van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt.

 

Pgb voor hulpmiddel

Bij een aanvraag om een pgb voor een hulpmiddel kan worden volstaan met de beantwoording van de vragen:

  1. .

    Waarom de cliënt een pgb wil (motivering, doel);

  2. .

    Hoe de ondersteuning veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt ingericht.

Een pgb mag niet gebruikt worden voor een algemene voorziening.

Artikel 6.2. Bekwaamheid van de aanvrager

Bij de beoordeling of een cliënt voor een pgb in aanmerking komt onderzoekt het college blijkens de wet of hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.

Bij het onderzoek betrekt het college of er overwegende bezwaren zijn, of er een ernstig vermoeden is dat de budgethouder problemen zal hebben met het omgaan met een pgb. De volgende situaties kunnen van invloed zijn op het besluit om al dan niet een pgb toe te kennen:

  1. .

    De cliënt is handelingsonbekwaam;

  2. .

    De cliënt heeft onvoldoende inzicht in de eigen situatie;

  3. .

    Er is sprake van verslavingsproblematiek;

  4. .

    Er is sprake van schuldenproblematiek;

  5. .

    Er is eerder misbruik gemaakt van het pgb;

  6. .

    Er is eerder sprake geweest van fraude.

Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn die van invloed kunnen zijn op de beslissing om al dan niet een pgb toe te kennen.

Om een aanvraag af te wijzen vanwege dergelijke overwegende bezwaren, moet er een zorgvuldige en feitelijke onderbouwing zijn ter motivering van het besluit.

Artikel 6.3. Trekkingsrecht

In de Wmo 2015 is de verplichting opgenomen dat gemeenten pgb’s uitbetalen in de vorm van trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het pgb niet op de bankrekening van de budgethouder stort, maar op rekening van de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

De budgethouder laat via een zorgovereenkomst en declaraties of facturen aan de SVB weten welk(e) / hoeveel uren hulp(middelen) zijn geleverd en de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling aan de hulpverlener / de leverancier. De niet-bestede pgb-bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode teruggestort naar de gemeente.

Ook de pgb’s voor een hulpmiddel of voorziening moeten worden overgemaakt naar de SVB, waarna de SVB de ingezonden facturen betaalt.

De SVB zorgt dus voor de financiële en technische verantwoording. De gemeente zorgt voor de inhoudelijke verantwoording. Dat houdt in dat gekeken wordt of het pgb besteed is aan voorzieningen, waarmee volgens gemaakte afspraken gestelde doelen worden behaald.

Artikel 6.4. Nadere regels PGB

Bij een PGB voor thuishulp en begeleiding gaat het om de betaling van tijd aan dienstverleners. De uitbetaling zal dan ook plaats vinden per uur, per etmaal, per dagdeel of een gedeelte daarvan. De maximale uur- en dagdeeltarieven worden door het college vastgesteld en kunnen elk jaar aangepast worden aan de economische ontwikkelingen. De bedragen zijn vastgelegd in het besluit maatschappelijke ondersteuning. Eventuele reiskosten worden betaald uit het totale toegekende budget, dat betekent dat er bijvoorbeeld een lager uurloon met de hulpverlener afgesproken wordt. Het afgesproken uurloon mag liggen tussen het maximale tarief uit ons besluit en het minimumloon van toepassing is op de desbetreffende hulp.

PGB’s worden verstrekt voor hulp en ondersteuning in de directe omgeving van de cliënt. In principe mag het PGB niet gebruikt worden voor ondersteuning of hulp tijdens vakantie of verblijf in het buitenland.

Hoofdstuk 7. Eigen bijdrage

Artikel

In de Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 staan de uitgangspunten voor het bepalen van de eigen bijdrage (hoofdstuk 3). Mede aan de hand daarvan stelt het college vervolgens de bijdragen voor de verschillende voorzieningen vast.

 

Cliëntondersteuning

Voor cliëntondersteuning mag de gemeente geen eigen bijdrage vragen. Cliëntondersteuning is gratis en toegankelijk voor iedereen.

 

Maatwerkvoorzieningen 

In de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 staat dat een inwoner voor een maatwerkvoorziening een eigen bijdrage is verschuldigd. Van de zijde van de regering is er één uitzondering gemaakt, voor een rolstoel is namelijk geen eigen bijdrage verschuldigd. Er is geen bijdrage verschuldigd voor hulpmiddelen voor inwoners jonger dan 18 jaar.

Er wordt een maximale inkomensafhankelijke eigen bijdrage gevraagd.

Procedure van inning

  1. .

    De gemeente stuurt de cliëntgegevens naar het CAK.

  2. .

    Het CAK stelt de eigen bijdrage vast.

  3. .

    Het CAK stuurt een definitieve beschikking naar de inwoner.

  4. .

    Het CAK stuurt de factuur, waarop de eigen bijdrage in rekening wordt gebracht, naar de inwoner.

  5. .

    Het CAK stelt de middelen beschikbaar aan de gemeenten.

Artikel 7.1. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen

Artikel 7.1.1. Wettelijk kader

De Wmo geeft in artikel 2.1.4 aan gemeenten de mogelijkheid om een eigen bijdrage te vragen. Aan de vrijheid van de gemeente met betrekking tot de inrichting van het eigen bijdragesysteem Wmo zijn door de wetgever beperkingen gesteld omdat het voeren van een eigen bijdragebeleid niet mag leiden tot een gemeentelijk inkomensbeleid. Het Rijk (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft kaders meegegeven voor het heffen van een eigen bijdrage. Voor rolstoelen en bij maatwerk voor kinderen jongeren dan 18 jaar zijnde geen woningaanpassingen kan op grond van de wet geen eigen bijdrage worden geheven.

Artikel 7.1.2. Gemeentelijk kader

Het centraal administratiekantoor (CAK) incasseert tot de wettelijk maximale, inkomensafhankelijke, eigen bijdragen, tenzij de gemaakte kosten lager zijn. De eigen bijdrage wordt geheven op alle Wmo voorzieningen in natura of PGB, die wettelijk mogelijk zijn. Voor onderhoud- en reparatiekosten wordt geen eigen bijdrage gevraagd.

Algemene voorzieningen

De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerk. De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. Het gaat hierbij om voorzieningen die door de gemeente zijn georganiseerd of gefaciliteerd. Uitgangspunt is dat er een eigen bijdrage wordt gevraagd voor algemene voorzieningen, maar dat deze niet drempelverhogend mag zijn. Ook mag deze eigen bijdragen niet leiden tot een gemeentelijk inkomensbeleid. We willen namelijk juist het gebruik van algemene voorzieningen stimuleren. In 2015 wordt duidelijk welke algemene voorzieningen voor een eigen bijdrage in aanmerking komen.

 

Maatwerk in de woning

De gemeente De Wolden gaat voor de berekening van de eigen bijdrage, van de aanpassingen, uit van de prijs op de factuur inclusief BTW. Bij het CAK wordt maximaal de termijn van 91 perioden doorgegeven bij aanpassingen in de woning. Als de kostprijs in minder perioden moet/kan worden voldaan, dan worden de perioden naar beneden bijgesteld.

 

Als de bijdrage voor het maatwerk of het pgb ten behoeve van een woning voor een minderjarige klant is verschuldigd, is de bijdrage verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders of degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

 

Maatwerk voor vervoer (alle fietsen, aanpassingen auto zowel pgb als bruikleen)

Voor het berekenen van de eigen bijdrage van de vervoersvoorziening gaat de gemeente De Wolden uit van de prijs op de factuur inclusief BTW en bij een her-verstrekking, de herverstrekkingskosten en eventuele overnamekosten. Bij het CAK wordt standaard de termijn van 91 perioden doorgegeven.

Als de kostprijs in minder perioden moet/kan worden voldaan, dan worden de perioden naar beneden bijgesteld.

Hoofdstuk 8. Kwaliteit

Artikel 8.1. Zorg in natura

Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

  1. .

    Het afstemmen van voorzieningen op persoonlijke situatie van de cliënt;

  2. .

    Het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

  3. .

    Het erop toe zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

De kwaliteitseisen voor zorg in natura zijn in het kader van de inkoopprocedure vastgesteld en zijn opgenomen in de verschillende contracten met aanbieders.

Artikel 8.2. Persoonsgebonden budget

De kwaliteitseisen voor een persoonsgebonden budget worden vooraf getoetst door beoordeling van het persoonlijk budgetplan dat een inwoner dient in te leveren (zie 6.1).

Nadere voorwaarden met betrekking tot het pgb zijn opgenomen in de ‘Regeling persoonsgebonden budget’.

Hoofdstuk 9. Waardering mantelzorgers

Artikel

Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat (artikel 16 verordening). Een dergelijke regeling wordt nog ontwikkeld.

Hoofdstuk 10. Overgangsrecht

Artikel 10.1. Wmo 2015

Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente De Wolden 2012, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, of tot het moment dat de looptijd van de huidige indicatie eindigt.

Artikel 10.2. AWBZ

Voor de inwoners die in 2014 een AWBZ-indicatie hebben waarvoor de verantwoordelijkheid vanaf 2015 bij de gemeente ligt, geldt dat iemand gedurende de looptijd van de indicatie (tot uiterlijk 31 december 2015) het recht behoudt op ondersteuning, onder de voorwaarden die daarvoor onder de AWBZ golden. Het indicatiebesluit is daarbij leidend. Het college heeft met de aanbieders afspraken gemaakt over de te leveren ondersteuning.

Artikel 10.3. Overgangsrecht

Wanneer een indicatie van rechtswege afloopt, zou een cliënt sowieso het recht op zijn huidige indicatie verliezen. Een nieuwe indicatie kan daarom gewoon afgegeven worden aan de hand van de nieuwe wet. Daarbij moet wel net als voorgaande jaren zorgvuldig gehandeld worden. Wanneer een cliënt pas vlak voor het aflopen van zijn indicatie een nieuw besluit krijgt en hij minder geïndiceerd krijgt, is het zorgvuldig om even na te gaan of een cliënt wel voldoende tijd heeft om zijn hulpverlener bijvoorbeeld deels op te zeggen. Primair ligt echter de verantwoordelijkheid bij de cliënt om tijdig een nieuwe aanvraag te doen.

Dit ligt anders in de situatie waarbij het college een lopende indicatie van een cliënt gaat herindiceren gedurende de looptijd. Wanneer een cliënt bijvoorbeeld een indicatie heeft tot 1 april 2018 en het college geeft tussentijds op initiatief van het college een nieuw besluit, dan is er sprake van een inbreuk op een eigendomsrecht. Dit zal in elk geval spelen bij de cliënten die op grond van de AWBZ een indicatie hebben die loopt tot na

1 januari 2016. Een dergelijke inbreuk op het eigendomsrecht is gerechtvaardigd nu de wet is aangepast, maar daarbij moet nog wel extra zorgvuldig worden gehandeld.

Vanzelfsprekend speelt mee in hoeverre de huidige zorg (on)gewijzigd wordt voortgezet. Bij een wijziging waarbij een cliënt minder of andere zorg krijgt, moet hij de tijd hebben om te kunnen wennen aan deze situatie. In het algemeen geldt dat daarbij een overgangstermijn van zes maanden redelijk is. Gedurende deze termijn wordt dan de oude/huidige zorg ongewijzigd voortgezet. Per individuele cliënt moet bekeken worden welke termijn redelijk is in zijn geval. Daarbij is onder andere van belang op welke termijn een cliënt zijn huidige overeenkomsten indien nodig op kan zeggen en bijvoorbeeld binnen welke termijn hij desgewenst bij een andere instelling of zorgverlener zorg kan ontvangen.

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Artikel 11.1. Inwerkingtreding

De “Beleidsregels Wmo De Wolden 2015-2016” treden in werking op 1 december 2015 onder gelijktijdige intrekking van de “Beleidsregels Wmo De Wolden 2015”. Deze beleidsregels zijn een nadere invulling van de “Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 gemeente de Wolden”.

Artikel 11.2. Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels Wmo De Wolden 2015-2016”.

Bijlage

Bijlage

Bijlage
Bijlage