Beleidsregels Planologische Afwijkingsmogelijkheden gemeente De Wolden

Home > Raad en College > Verordeningen, overige regelingen en beleidsregels > Beleidsregels Planologische Afwijkingsmogelijkheden gemeente De Wolden

Beleidsregels Planologische Afwijkingsmogelijkheden gemeente De Wolden

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente De Wolden
Officiële naam regelingBeleidsregels Planologische Afwijkingsmogelijkheden gemeente De Wolden
CiteertitelBeleidsregels Planologische Afwijkingsmogelijkheden gemeente De Wolden
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpruimtelijke ordening, verkeer en vervoer

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
05-01-2012 n.v.t. Nieuwe regeling 19-12-2011 De Wolder Courant 19-12-2011

Tekst van de regeling

Hoofdstuk 1. Beleidsregels

In deze notitie zijn beleidsregels geformuleerd voor de planologische afwijkingsmogelijkheden in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Deze wet is op 1 oktober 2010 in werking getreden.

Op 11 januari 2011 zijn deze beleidsregels voor het eerst vastgesteld. Deze worden nu voor de eerste maal gewijzigd.

Artikel 1.1. Planologische afwijkingsmogelijkheden in de Wabo

Van oudsher is het afwijken van de voorschriften uit een bestemmingsplan geregeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) of Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Met de komst van de Wabo, verandert dit: de planologische afwijkings-mogelijkheden staan voortaan in de Wabo, en dus niet meer in de Wro.

Artikel 1.2. Huidige projectbesluit wordt omgevingsvergunning

Artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo geeft aan dat het verboden is zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Artikel 2.10 lid 1 sub c Wabo bepaalt dat een omgevingsvergunning wordt geweigerd als de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

In artikel 2.10 lid 2 Wabo geeft aan dat wanneer een aanvraag om een omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan, deze aanvraag tevens moet worden gezien als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo. Met andere woorden: als een aanvraag om omgevingsvergunning om te mogen afwijken van het bestemmingsplan. De mogelijkheid van een afwijking door middel van een projectbesluit (Wro), is onder de Wabo dus een omgevingsvergunning.

Als het gaat om een activiteit (als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo) in strijd met het bestemmingsplan, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend:

- met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking. Het betreft hier de zogenaamde ‘binnenplanse’ ontheffing (3.6 lid 1 sub c Wro);

- in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen. Hier betreft het de 'kruimellijst'. Deze verhuist van artikel 4.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening naar artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), of;

- als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. De afwijkingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 2.10 Wabo, is momenteel beter bekend als het projectbesluit in de Wro (artikel 3.10), voor velen nog steeds bekend als de oude artikel 19 lid 1 en 2 WRO procedures.

Artikel 1.3. Reguliere of uitgebreide voorbereidingsprocedure

De Wabo onderscheidt twee procedures: de reguliere en de uitgebreide. Regel bij het bepalen van de te volgen procedure (regulier of uitgebreid) is dat de reguliere procedure wordt gevolgd, tenzij anders is bepaald. In artikel 3.10 Wabo staat expliciet aangegeven wanneer de uitgebreide procedure moet worden gevolgd.

Uit artikel 3.10 Wabo is op te maken dat een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan, en waarbij slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van art. 2.12 lid 1 sub a onder 3 Wabo (dus het huidige projectbesluit), de uitgebreide procedure moet worden gevolgd.

Omdat artikel 2.12 lid 1 sub a onder 1 en 2 Wabo (de binnenplanse ontheffingen en de kruimellijst gevallen) niet in artikel 3.10 Wabo wordt genoemd, betekent dit simpelweg dat deze planologische afwijkingsmogelijkheden onder de reguliere procedure vallen.

Tijdelijke ontheffingen komen overigens ook terug in de Wabo. Tijdelijke afwijkingen van het bestemmingsplan vallen - vreemd genoeg – weer onder de uitgebreide procedure.

Artikel 1.4. Voorbereidingsprocedure

Een groot verschil tussen de reguliere en de uitgebreide procedure is dat bij de uitgebreide, de 'uniforme openbare voorbereidingsprocedure' (afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht) moet worden gevolgd. Omdat de aloude bekende binnenplanse ontheffingen en de kruimelgevallen met de komst van de Wabo onder de reguliere procedure vallen, volgen deze dus niet meer de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Voor deze afwijkingen van het bestemmingsplan is dit dus compleet anders dan nu het geval is; de ontwerpbesluiten worden dus niet (meer) ter inzage gelegd en er is geen sprake meer van een zienswijzenprocedure.

Daarnaast is het zo dat een reguliere procedure voor een omgevingsvergunning binnen 8 weken (eventueel plus een verlenging van 6 weken) moet worden doorlopen. Als de wettelijke termijn wordt overschreden, dan ontstaat er een van rechtswege verleende vergunning. Bij vergunningaanvragen voor zaken die in strijd zijn met het bestemmingsplan ligt de grens voor het ontstaan van een van rechtswege verleende vergunning dus bij de maximale mogelijkheden die de kruimellijst biedt (artikel 4 bijlage II van de Bor).

Artikel 1.5. Belangenafweging

De toelichting van de invoeringswet Wabo geeft aan dat een ‘ontheffing’ binnen de reguliere procedure weliswaar niet meer ter inzage hoeft te worden gelegd, maar geeft ook aan dat artikelen 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuurswet (Awb) wel van toepassing zijn. Hierin staat het volgende:

artikel 4:7:

'Voordat een bestuursorgaan een aanvraag tot het geven van een beschikking geheel of gedeeltelijk afwijst, stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien de afwijzing zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de aanvrager betreffen, en die gegevens afwijken van gegevens die de aanvrager ter zake zelf heeft verstrekt’;

artikel 4:8:

'Voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.'

Belanghebbenden die niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze(n) in te dienen kunnen nu alleen nog maar bezwaar maken tegen de verleende vergunning, waarna de beschikking op bezwaar open staat voor beroep.

Artikel 1.6. Beleid Planologische Afwijkingsmogelijkheden

Zoals al aangegeven staat in artikel 2.10 lid 2 Wabo dat slechts wordt geweigerd als de vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 Wabo niet mogelijk is.

Het is duidelijk dat er met de komst van de Wabo heel wat verandert op het gebied van afwijken van het bestemmingsplan. De inwerkingtreding van de Wabo geeft dan ook aanleiding om een goed ‘ontheffingenbeleid’ (artikel 2.12 lid 1 sub a onder 1 en 2 Wabo) te hebben. Op grond van dit beleid kan het meewerken aan of het weigeren van een afwijking van het bestemmingsplan worden gemotiveerd.

In overeenstemming met artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan het beleid door het college van burgemeester en wethouders worden vastgesteld omdat dit bestuursorgaan volgens de Wabo bevoegd is om omtrent de bedoelde afwijkingen te beslissen.

Artikel 1.7. Evaluatie

Periodiek wordt het beleid geëvalueerd en wordt, indien nodig, een integraal aanpassingsvoorstel aan het college voorgelegd.

Artikel 1.8. Inspraak

Gelet op het ondergeschikte karakter van het voorstel tot 1e wijziging en gelet op het gegeven dat de 1e wijziging slechts een (beperkte) verruiming en een verduidelijking van de bebouwingsmogelijkheden inhouden, wordt een aparte inspraakprocedure voor de 1e wijziging niet nodig geacht. De nieuwe beleidsregels worden uiteraard wel gepubliceerd.

Hoofdstuk 2. Beleidsregels

Bij de beoordeling van verzoeken om af te wijken van het bestemmingsplan zullen voor wat betreft de afwijkingsmogelijkheden, als genoemd in artikel 2.12 lid 1 sub a onder 1 en 2 Wabo, de hiernavolgende beleidsregels worden toegepast.

Artikel 2.1. Algemene bepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

a. Aanbouw: een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

b. Achtererfgebied: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw;

c. Bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

d. Bebouwde kom: de bebouwde kom, als bedoeld in artikel 1.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening De Wolden;

e. Bebouwingsoppervlak: gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing;

f. Bestaand gebruik: het gebruik, incl. overgangsrecht, dat op grond van het bestemmingsplan is toegelaten;

g. Bijgebouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

h. Bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het bestemmingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende  bebouwing is toegelaten;

i. Dakkapel: een uitspringend venster dat rondom is voorzien van een dakvlak;

j. Dakopbouw: een toegevoegde, gehele of gedeeltelijke bouwlaag op een gebouw, gelegen boven de goot;

k. Erf: al dan niet bebouwd perceel, of gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden;

l. Hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meerdere gebouwen op het preceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

m. Openbaar toegankelijk gebied: weg als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder b van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen voor langzaam verkeer;

n. Openbare weg: weg als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder b van de Wegenverkeerswet 1994;

o. Overkapping stand-alone: een vrijstaand bouwwerk geen gebouw zijnde, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte constructie vormt met maximaal één wand;

p. Overkapping aangebouwd: een bouwwerk geen gebouw zijnde, verbonden met een gebouw dat een voor mensen toegankelijke, overdekte constructie vormt welke hooguit aan twee zijden tegen gevels is aangebouwd en aan minimaal twee zijden open is;

q. Uitbouw: een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

r. Uitbreiding: een aan- of uitbouw aan een hoofdgebouw;

s. Voorerfgebied: erf geen onderdeel is van het achtererfgebied;

t. Woning: een gebouw of gedeelte van een gebouw, krachtens aard en indeling geschikt of bestemd voor de huisvesting van een huishouden.

Een bijbehorend bouwwerk

a. Een afwijking van het bestemmingsplan voor een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom is mogelijk voor:

1. een aangebouwd bijgebouw, aan- of uitbouw bij een woning waarbij geldt dat:

a. het bouwwerk is gesitueerd op het achtererfgebied en;

b. het bouwwerk noodzakelijk is om sociaal-medische redenen en;

c. er wordt voldaan aan de bepalingen in het bestemmingsplan voor bijbehorende bouwwerken betreffende goothoogte, hoogte en ligging ten opzichte van de voorgevel van de woning en;

d. de oppervlakte aan aangebouwde bijgebouwen, aan- en uitbouwen (na realisatie van het bouwplan) is niet groter dan 80 m².

2. een bijbehorend bouwwerk bij andere gebouwen (geen woning)

Een afwijking van het bestemmingsplan is alleen mogelijk voor een bijbehorend bouwwerk van niet meer dan 100 m² mits:

a. het bouwwerk is gesitueerd op het achtererfgebied en;

b. het bebouwingsoppervlak op het bij het oorspronkelijke hoofdgebouw behorende achtererfgebied niet meer dan 50% van oppervlakte van dit gebied bedraagt en;

c. er voldoende parkeermogelijkheden blijven.

Voor de bovengenoemde categorieën (a1 t/m 2) geldt dat bij afwijking van het bestemmingsplan wordt gelet op: het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van naburige percelen.

b. Een afwijking van het bestemmingsplan voor een bijbehorend bouwwerk buiten de bebouwde kom is mogelijk voor:

1. een bijbehorend bouwwerk bij een woning op het achtererfgebied dat voldoet aan de volgende kenmerken:

a. niet hoger dan 5 m en;

b. het bouwen niet tot gevolg heeft dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd dan wel dat de oppervlakte die op grond van het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt voor meer dan 50% wordt overschreden en;

c. de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 150 m² en;

d. de oppervlakte van het bij de woning behorende als tuin en erf ingerichte perceel meer dan 2.000 m² bedraagt, danwel de oppervlakte het aan de hand van een plan voor goede landschappelijke inpassing als tuin en erf in te richten perceel meer dan 2.000 m² bedraagt.

2. een bijbehorend bouwwerk bij andere gebouwen (geen woning)

Een afwijking van het bestemmingsplan is alleen mogelijk voor een bijbehorend bouwwerk op het achtererfgebied van niet meer dan 150 m² mits:

a. het bebouwingsoppervlak op het bij het oorspronkelijke hoofdgebouw behorende achtererfgebied op niet meer dan 50% van oppervlakte van dit gebied uitkomt en;

b.  de oppervlakte die op grond van het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met niet meer dan 50% wordt overschreden en;

c. er voldoende parkeermogelijkheden blijven.

Voor alle bovengenoemde categorieën (b1 t/m 2) geldt dat bij afwijking van het bestemmingsplan wordt gelet op: het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, sociale veiligheid, de gebruiksmogelijkheden van naburige percelen en passendheid bouwvorm.

Artikel 2.2. Gebouw ten behoeve van infrastructurele of openbare voorzieningen

Afwijking van het bestemmingsplan is mogelijk voor een gebouw ten behoeve van infrastructurele of openbare voorzieningen, als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, die voldoen aan de kenmerken van artikel 4 lid 2 van bijlage II van het Besluit omgevings¬recht (het gebouw is niet hoger dan 5 m en de oppervlakte bedraagt niet meer dan 50 m²).

Artikel 2.3. Bouwwerken, geen gebouw zijnde

a. lichtmasten behorende bij een paardrijbak tot een hoogte van 10 m mits:

1. de paardrijbak landschappelijk voldoende is ingepast;

2. de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt;

3. geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt voor omwonenden.

b. overkappingen stand-alone of aangebouwd mits:

1. het bouwwerk is gesitueerd op het achtererf;

2. de overkapping niet hoger is dan 3,25 meter met dien verstande dat een aangebouwde overkapping tevens niet hoger mag zijn dan de bebouwing waar de overkapping tegenaan wordt gebouwd

3. de oppervlakte niet groter is dan 30 m².

Artikel 2.4. Dakkapellen en dakopbouwen

a. Dakkapel

Een afwijking van het bestemmingsplan is niet noodzakelijk omdat geen bestemmingsplan de plaatsing van een dakkapel verbiedt.

b. Dakopbouw op hoofdgebouw

Een afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van een dakopbouw is mogelijk op het hoofdgebouw waarvoor geldt dat het een woning of een ander gebouw betreft met een inhoud van ten hoogste 350 m3 bestaande uit één bouwlaag met kap;

Een afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van een dakopbouw op het hoofdgebouw is tevens mogelijk voor een dakopbouw ten behoeve van een woning of ander gebouw in geval van eerdere precedenten op naburige gebouwen, wanneer hiermee zorgvuldig rekening wordt gehouden met het doel een nieuwe eenheid in het bebouwingsbeeld te verkrijgen.

Een dakopbouw is niet mogelijk op een woning of ander gebouw van twee of meer bouwlagen met een kap.

c. Kap op bijgebouw e.d.

Een afwijking van het bestemmingsplan is mogelijk ten behoeve van het plaatsen van een kap op een aanbouw, uitbouw of aangebouwd bijgebouw met plat dak waarbij geldt dat:

1. de afstand van de aanbouw, uitbouw of aangebouwd bijgebouw met kap tot de voorgevel ten minste 4 meter bedraagt en;

2. de goothoogte niet meer dan 3 meter bedraagt.

Geen afwijking van het bestemmingsplan is mogelijk ten behoeve van een dakopbouw op het dak van een vrijstaand bijgebouw.

Artikel 2.5. Antenne-installatie

Een afwijking van het bestemmingsplan is mogelijk voor een antenne-installatie, niet hoger dan 40 m, die past in het beleid geformuleerd in de notitie ‘Gemeentelijk Antennebeleid De Wolden’ vastgesteld door burgemeester en wethouders op 13 november 2007.

Artikel 2.6. Installatie voor warmtekrachtkoppeling bij een glastuinbouwbedrijf

Een afwijking van het bestemmingsplan is niet noodzakelijk omdat er geen grote glastuinbouwbedrijven voorkomen in de gemeente De Wolden.

Artikel 2.7. Installatie voor duurzame energie bij een agrarisch bedrijf

Er wordt alleen van het bestemmingsplan afgeweken voor een installatie, als bedoeld in artikel 4 lid 7 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, mits de vergistinginstallatie kan worden ingedeeld in categorie A, B of C conform de notitie ‘Vergistingsinstallaties bij agrarische bedrijven’ die is vastgesteld op 15 mei 2008 door de gemeenteraad. 

Artikel 2.8. Evenementen

Voor evenementen zijn geen nadere beleidsregels opgesteld. Een afwijking van het bestemmingsplan is alleen aan de orde voor evenementen waarbij tevens een vergunning in het kader van de ‘Festiviteiten en evenementenverordening’ wordt of is verleend.

Artikel 2.9. Wijzigen gebruik bouwwerken

Het beleid geldt voor een drietal te onderscheiden categorieën bouwwerken.

a. Gebouw, een woning of woongebouw zijnde

Er wordt geen medewerking aan afwijking van het bestemmingsplan verleend voor het omzetten van een woning of woongebouw in een andere functie.

b. Gebouw, geen woning of woongebouw zijnde

Slechts bij uitzondering wordt een afwijking van het bestemmingsplan verleend. Er moet dan worden aangetoond dat:

1. de nieuwe functie past binnen de omgeving;

2. er geen onevenredige toename van de verkeersbelasting en de parkeerdruk in de omgeving ontstaat;

3. de nieuwe functie geen onevenredige negatieve milieueffecten veroorzaakt voor de omgeving.

c. Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Slechts bij uitzondering wordt een afwijking van het bestemmingsplan verleend. Er moet dan worden aangetoond dat:

1. de nieuwe functie past binnen de omgeving;

2. de nieuwe functie geen onevenredige negatieve milieueffecten veroorzaakt voor de omgeving.

Artikel 2.10. Gebruik van een recreatiewoning voor bewoning

Een aanvullende beleidsregel voor toepassing van een mogelijkheid van afwijking van het bestemmingsplan is niet nodig. De mogelijkheden van artikel 4 van het Besluit omgevingsrecht sluiten aan op het bestaande beleid in de gemeente De Wolden. Een aanvraag die voldoet aan de voorwaarden genoemd in dat artikel kan worden verleend.

Artikel 2.11. Hardheidsclausule

Burgemeester en wethouders handelen overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders gemotiveerd afwijken van het beleid zoals geformuleerd in deze beleidsregels.

Hoofdstuk 3. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden op 5 januari 2012 in werking. Met de inwerkingtreding van deze regels vervallen de beleidsregels die zijn vastgesteld op 11 januari 2011.

Hoofdstuk 4. Titel

Deze notitie kan worden aangehaald als: Beleidsregels Planologische Afwijkings-mogelijkheden gemeente De Wolden.

Sluiting

Vastgesteld op 19 december 2011

burgemeester en wethouders van De Wolden,

Secretaris, Wnd. burgemeester,

Nanne Kramer, Janny Vlietstra

Toelichting 1