Beleidsuitvoeringsplan bijzondere bijstand en minimabeleid 2017

Home > Raad en College > Verordeningen, overige regelingen en beleidsregels > Beleidsuitvoeringsplan bijzondere bijstand en minimabeleid 2017

Beleidsuitvoeringsplan bijzondere bijstand en minimabeleid 2017

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente De Wolden
Officiële naam regelingBeleidsuitvoeringsplan bijzondere bijstand en minimabeleid 2017
CiteertitelBeleidsuitvoeringsplan bijzondere bijstand en minimabeleid 2017
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Artikel 34 Participatiewet
  2. Artikel 35 Participatiewet
  3. Artikel 50 Participatiewet
  4. Artikel 51 Participatiewet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
28-09-2017 01-01-2017 Nieuwe regeling 22-09-2017 De Wolder Courant, 27 september 2017 Onbekend

Tekst van de regeling

Het college van de gemeente De Wolden;

gelet op de artikelen 34, 35, 50 en 51 van de Participatiewet alsmede artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

overwegende dat het wenselijk is om beleidsregels vast te stellen omtrent de aan het college toekomende bevoegdheid om bijzondere bijstand toe te kennen indien sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

besluit:

vast te stellen de volgende

‘Beleidsuitvoeringsplan bijzondere bijstand en minimabeleid 2017’

Inleiding

Het Beleidsuitvoeringsplan bijzondere bijstand en minimabeleid beschrijven op welke wijze het college van burgemeester en wethouders invulling geeft aan haar bevoegdheid om bijzondere bijstand toe te kennen op grond van de Participatiewet. De meest voorkomende kostensoorten waarvoor bijzondere bijstand kan worden aangevraagd worden benoemd in deze beleidsregels. Op grond van artikel 35 Participatiewet kan altijd bijzondere bijstand worden gevraagd voor dergelijke kosten.

De beleidsregels zijn zodanig opgesteld dat deze de kaders weergeven waarbinnen het cluster sociale zaken aanvragen dient te behandelen, daarnaast zijn de beleidsregels ook bedoeld als informatiebron voor de (bijzondere) bijstandsgerechtigden.

De beleidsregels bestaan uit vier delen:

1. Algemeen

Wie behoort tot de doelgroep? Welke inkomens- en vermogensgrenzen zijn er? Hoe wordt de draagkracht berekend? Hoe gaan we om met bewijsstukken? Moet de klant de kosten eerst zelf betalen? Deel 1 geeft antwoorden op deze vragen. Daarnaast zetten we in deel 1 uiteen hoe we de administratieve lasten van bijstandsgerechtigden gaan verlagen, de kwaliteit gaan verbeteren en de doorlooptijden omlaag gaan.

2. Bijzondere bijstand en de vastgestelde regelingen

Het college en de raad hebben meerdere regelingen vastgesteld op grond van artikel 35 van de Participatiewet om specifieke groepen in bepaalde kostensoorten tegemoet te komen. In deel 2 en in de inhoudsopgave kunt u terugvinden welke gemeentelijke regelingen zijn vastgesteld.

3. Participatiewet - overige

Naast de in deel 2 genoemde regelingen zijn voor de veel gevraagde kostensoorten ook beleidsregels vastgelegd. Dit bevordert een eenduidige uitvoering en is ook transparant voor de burger.

4. Afsluiting

Beleidsregels dienen vastgesteld te worden door het college. De hardheidsclausule en de bepalingen met betrekking tot de inwerkingtreding ondertekening zijn opgenomen in het afsluitende vierde deel.

Hoofdstuk 1. Algemeen

Paragraaf

In dit beleidsuitvoeringsplan worden de beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid inzichtelijk gemaakt. Raad en college erkennen dat het niet altijd even gemakkelijk is om rond te komen van een minimuminkomen. Het is echter in ieders belang dat elke burger in onze gemeente mee kan doen aan de samenleving. De maatregelen op het gebied van armoedebestrijding hebben allereerst betrekking op re-integratie en inkomensondersteuning. Mensen aan werk helpen staat voorop: het verdienen van een eigen inkomen is de beste manier om armoede te bestrijden. Het is echter niet in alle gevallen toereikend. Zeker niet voor hen die moeilijk in staat zijn om aan voldoende betaald werk te komen, chronisch ziek of gehandicapt zijn, nauwelijks pensioen hebben of in een schuldenspiraal terecht zijn gekomen. Om sociale uitsluiting van inwoners afhankelijk van een inkomen om en nabij het sociaal minimum te voorkomen, is sociaal beleid ontwikkeld.

Om in aanmerking te komen voor deze voorzieningen moet eerst vastgesteld worden of voldaan wordt aan de doelgroep eisen, daarom worden deze randvoorwaarden als eerste behandeld.

Doelgroep

Onder het gemeentelijk minimabeleid vallen inwoners van de gemeente De Wolden (BRP inschrijving is doorslaggevend) van 21 jaar en ouder, die zelfstandig een huishouden voeren en voldoen aan de gestelde inkomens- en vermogenseisen. Kostendelers vallen hier ook onder.

Artikel 1.1. Inkomenseisen

Het inkomen en/of de uitkering moet op het moment van aanvraag gelijk zijn aan of lager dan 110% van het geldende sociaal minimum met uitzondering voor de collectieve ziektekostenregeling. Voor deze regeling geldt het inkomen tot 120%.

Voor gehuwden/samenwonenden worden de inkomsten van beide partners opgeteld.

Onder inkomen wordt ook verstaan de (voorlopige) heffingskortingen die worden ontvangen van de belastingdienst. Tegemoetkomingen in de zin van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, zoals de huurtoeslag, zorgtoeslag, kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag worden niet tot de inkomsten gerekend.

Wisselende inkomsten

Bij wisselende inkomsten wordt uitgegaan van het gemiddeld inkomen over de afgelopen drie maanden. Ook kwartaal uitkeringen worden herrekend naar een maandinkomen.

Artikel 1.2. Vermogenseisen

In het kader van het gemeentelijke minimabeleid wordt ook rekening gehouden met vermogen. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de Participatiewet. Naast het inkomen mag het spaargeld en/of het andere vermogen niet meer bedragen dan de in artikel 34 Participatiewet gestelde vermogensgrenzen. Deze grenzen zijn afhankelijk van de gezinssamenstelling. Bij ouderen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en waarbij het vermogen in onroerend goed zit wordt het vermogen vrijgelaten.

De bestanddelen van het vermogen (kunnen) zijn:

  1. .

    Bank- en/of girosaldi c.q. spaargelden, spaarbrieven of andere waardepapieren

  2. .

    Aandelen en/of effecten

  3. .

    Sieraden, kunst of andere waardevolle bezittingen

  4. .

    Voertuigen, caravans, aanhangwagens en dergelijke waarvan de waarde (gezamenlijk) boven de € 7.000,00 ligt. De waarde kan worden bepaald aan de hand van bijvoorbeeld de ANWB/BOVAG koerswaarde, internet of de ProMOtor Advieslijn 070 – 314 50 78).

  1. .

    Bij de waardebepaling van de eigen woning wordt uitgegaan van de geldende WOZ-waarde minus het saldo van de hypotheek die op de woning rust. Dit geldt ook bij spaarhypotheek.

  2. .

    Vorderingen.

Toetsingskader doelgroep

  1. 1.

    Onder het gemeentelijk minimabeleid vallen inwoners van de gemeente De Wolden (BRP inschrijving is doorslaggevend) van 21 jaar en ouder, die zelfstandig een huishouden voeren en voldoen aan de gestelde inkomens- en vermogenseisen. Kostendelers vallen hier ook onder.

  2. 2.

    Het inkomen en/of uitkering moet op het moment van aanvragen gelijk zijn aan of lager dan 110% van het geldende sociaal minimum met uitzondering van de collectieve ziektekostenregeling waarbij een inkomen tot 120% van het geldende sociaal minimum wordt gehanteerd.

  3. 3.

    Het vermogen mag niet hoger zijn dan de van toepassing zijn de vermogensgrens zoals bedoeld in artikel 34 Participatiewet uitgezonderd voor mensen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en wanneer het vermogen in onroerend goed zit.

  4. 4.

    Voertuigen, caravans, aanhangwagens etc. worden niet tot het vermogen gerekend indien de (gezamenlijke) waarde hiervan niet meer bedraagt dan € 7.000,00.

Artikel 1.3. Draagkracht en vermogen/inkomen

Bij de verlening van bijzondere bijstand dient, op grond van artikel 35 lid 1 Participatiewet en de toelichting hierop, rekening te worden gehouden met de draagkracht van belanghebbende. Daarbij dient geheel of gedeeltelijk in beschouwing te worden genomen:

  1. .

    het in aanmerking te nemen vermogen

  2. .

    het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm

De duur en de aanvang van de draagkrachtperiode dient vastgesteld te worden door het college. De belanghebbende dient hiervan in de beschikking in kennis te worden gesteld.

In de volgende paragrafen zal uiteengezet worden in welke situaties de draagkracht van toepassing is en op welke wijze hiermee rekening wordt gehouden bij aanvragen om bijzondere bijstand.

Draagkrachtberekening en draagkrachtperiode

Bij de bepaling van de hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand is van belang in hoeverre een belanghebbende een inkomen boven bijstandsniveau heeft en over een vermogen beschikt dat groter is dan het vrij te laten vermogen. Indien daar sprake van is, wordt verwacht dat iemand zelf (voor een deel) kan bijdragen in de bijzondere kosten. Om de eigen draagkracht vast te stellen is derhalve een draagkrachtberekening noodzakelijk.

Iemand die een Participatiewet uitkering ontvangt, heeft geen inkomen of vermogen boven bijstandsniveau. Er behoeft dan ook geen draagkracht en draagkrachtperiode te worden bepaald. Het college houdt bij de bepaling van de draagkracht geen rekening met de kostendelersnorm.

Overige minima

Voor overige minima wordt bij een aanvraag bijzondere bijstand de draagkracht en de draagkrachtperiode vastgesteld. Na afloop van de draagkrachtperiode wordt het inkomen en vermogen opnieuw opgevraagd en de draagkracht en de draagkrachtperiode opnieuw vastgesteld.

Vaststellen draagkrachtperiode

Voor aanvragers tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd wordt de

draagkracht voor de periode van een jaar vastgesteld. Voor mensen die de

pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt wordt de draagkracht voor de periode van vijf jaar vastgesteld, waarbij periodiek het BRP (wijziging woon- en/of gezinssituatie) en Suwinet (wijzigingen m.b.t. de inkomsten) worden gecontroleerd.

Wanneer er aanleiding voor bestaat kan een kortere draagkrachtperiode worden vastgesteld (bijvoorbeeld indien de hoogte van het pensioen op korte termijn kan wijzigen).

De reden om voor mensen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt een andere werkwijze te hanteren is het feit dat hun inkomens- en vermogenssituatie veel stabieler is. Bovendien vermindert dit de regeldruk.

Om zo efficiënt mogelijk te kunnen werken wordt voor overige minima bij een eerste aanvraag de draagkracht en de draagkrachtperiode vastgesteld. Bij nieuwe aanvragen bijzondere bijstand of minimaregelingen, die vallen binnen een lopende draagkrachtperiode, kan worden volstaan met een verkorte aanvraag, waarbij niet opnieuw alle gegevens opgevraagd hoeven te worden. Ten behoeve van voortzetting van bijzondere bijstand worden na afloop van de draagkrachtperiode de inkomens- en vermogensgegevens opnieuw beoordeeld.

Ook voor overige minima geldt de inlichtingenplicht (art. 17 Participatiewet). Deze inlichtingenplicht wordt opgenomen in de toekenningsbeschikking.

Artikel 31 Participatiewet

Sommige inkomens- en vermogensbestanddelen worden niet meegeteld bij de

draagkrachtvaststelling. De inkomsten worden netto, exclusief vakantietoeslag, in de berekening betrokken.

Bepaalde kosten die de belanghebbende maakt, worden van zijn inkomen afgetrokken bij de draagkrachtberekening. Dit zijn de zogenaamde buitengewone uitgaven.

Hieronder vallen:

  1. .

    noodzakelijke extra uitgaven i.v.m. de uitoefening van eigen bedrijf of zelfstandig beroep;

  2. .

    alimentatie voor niet in het gezin levende kinderen of ex-echtgeno(o)t(e).

De draagkracht wordt in principe voor een heel jaar vastgesteld. De draagkrachtperiode begint te lopen op de eerste dag van de maand waarin de bijzondere bijstand wordt aangevraagd. Een nieuwe draagkrachtperiode hoeft dus niet aan te sluiten opeen vorige draagkrachtperiode.

Wanneer de omstandigheden dat vragen kan ook een andere aanvangsdatum worden gekozen als startpunt van de draagkrachtperiode. Dit kan het geval zijn als de kosten eerder gemaakt zijn dan de aanvraag is ingediend en de draagkracht in deze periode aanmerkelijk hoger ligt dan ten tijde van de aanvraagdatum.

Wanneer de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd betrekking hebben op een kortere of een langere periode dan een jaar, dan wordt de draagkracht over die kortere of langere periode in aanmerking genomen.

Niet de gehele draagkrachtruimte hoeft als draagkracht te worden aangewend om voor bijstand in aanmerking te komen.

De draagkracht bestaat uit de volgende componenten:

  1. .

    100% van het meer vermogen, zoals bedoeld in artikel 34 Participatiewet

  2. .

    35% van het inkomen boven 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm

Deze percentages gelden in principe voor alle bijzondere kosten van het bestaan, tenzij in het gemeentelijk beleid ten aanzien van specifiek genoemde bijzondere kosten nadrukkelijk anders is vastgesteld. Dit is bijv. het geval bij de woonkostentoeslag.

Als de vastgestelde draagkracht lager is dan € 25,00 per jaar dan wordt deze niet toegepast.

Draagkracht en WSNP

De Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) maakt het mogelijk dat

schuldeisers verplicht kunnen worden mee te werken aan een schuldsanering. Voor de schuldenaar betekent dit dat het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, aangewend wordt ten behoeve van de aflossing van de schuldeisers.

Hierdoor komt het netto besteedbaar inkomen van de schuldenaar op (of beneden) bijstandsniveau. Bij aanvragen om bijzondere bijstand moet bij berekening van de draagkracht van het werkelijk netto besteedbaar inkomen worden uitgegaan en niet van het inkomen voor aftrek van de door de bewindvoerder opgelegde bijdrage in de sanering.

Bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling op grond van de WSNP is uitgesproken, geldt dat het college enkel de draagkracht kan berekenen over middelen waarover belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft.

Verder is het uiteraard van belang dat wordt nagegaan in hoeverre de bijzondere kosten noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

Van bijzondere omstandigheden kan worden gesproken als iemand een

schuldsaneringstraject volgt in het kader van de WSNP. Deze trajecten duren 3 of 5 jaar, waarbij moet worden aangetekend dat voorafgaand aan de schuldsanering in het kader van de WSNP er vaak al enkele jaren zijn verstreken waarin het netto besteedbaar inkomen op of rond de 90% (bescherming beslagvrije voet) van het minimum heeft gelegen. Hieruit vloeit direct voort dat van reservering geen enkele sprake is geweest en

dat de aflossingscapaciteit volledig is opgesoupeerd door de aflossing van schulden.

Door bijstand te verlenen in schuldsituaties wordt indirect bijstand voor schulden gegeven, hetgeen ingevolge artikel 13 lid 1 sub g Participatiewet in principe niet mogelijk is.

In het WSNP-traject is het echter niet toegestaan om nieuwe schulden te maken, hetgeen voor een belanghebbende betekent dat hij en op de armoedegrens leeft en aangewezen kan zijn op bijzondere bijstand indien er zich uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten voordoen. Deze situatie is niet wenselijk, ongeacht de oorzaken van de schulden, waardoor een belanghebbende in de WSNP terecht is gekomen. De gemeente kan onder toepassing van artikel 49 sub b Participatiewet een dringende reden aannemen, en uit praktisch en sociaal oogpunt uitgaan van het netto besteedbaar inkomen.

Draagkracht en minnelijk traject

Voorafgaand aan een WSNP-traject, zoals onder het vorige kopje beschreven, wordt een minnelijk traject doorlopen door de belanghebbende. In dit minnelijke traject wordt met de schuldeisers getracht tot overeenstemming te komen over de aflossing en terugbetaling van schulden. Belanghebbenden worden in deze fase vaak geconfronteerd met deurwaarders en beslagleggingen op loon of uitkering. Met hulp van Sociaal.nl kan een verzoek worden gedaan tot een minnelijke schuldregeling, waarbij getracht wordt

overeenstemming te krijgen met de schuldeisers over een algehele aflossing van (een deel van) de schulden. Indien het minnelijke traject is mislukt, wegens ontbreken van medewerking van alle schuldeisers, dan wel van de schuldenaar, kan eventueel het WSNP-traject worden opgestart. Het is alleszins redelijk om in de fase van het minnelijke traject ten aanzien van draagkrachtbepalingen uit te gaan van het werkelijk netto besteedbaar inkomen, conform de werkwijze zoals in de situatie van een

bewindvoering in het kader van de WSNP.

Toetsingskader draagkracht

  1. 1.

    Voor aanvragers tot de pensioengerechtigde leeftijd wordt de draagkracht voor de periode van een jaar vastgesteld. Voor mensen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt wordt de draagkracht voor de periode van vijf jaar vastgesteld.

  2. 2.

    De draagkrachtperiode begint te lopen op de eerste dag van de maand waarin de bijzondere bijstand wordt aangevraagd.

  3. 3.

    De draagkracht bestaat uit de volgende componenten:

    1. a.

      100% van het meer vermogen, zoals bedoeld in artikel 34 Participatiewet

    2. b.

      35% van het inkomen boven 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm

  4. 5.

    Als de vastgestelde draagkracht lager is dan € 25,00 per jaar dan wordt deze niet toegepast.

  5. 6.

    In een WSNP-traject, en in het minnelijke traject daaraan voorafgaand, neemt het college onder toepassing van artikel 49 sub b Participatiewet een dringende reden aan, en gaat uit een praktisch en sociaal oogpunt uit van het netto besteedbaar inkomen.

Artikel 1.4. Procedureel

De aanvraag

Om voor vergoedingen in het kader van het gemeentelijke minimabeleid in aanmerking te komen, moet in ieder geval een keer een schriftelijke aanvraag worden ingediend. De gemeente De Wolden heeft voor de diverse regelingen (verkorte) aanvraagformulieren gemaakt.

De doelgroep wordt onderverdeeld in twee groepen:

I huishoudens met een Participatiewet /IOAZ/IOAW/Bbz-uitkering die automatisch voldoen aan de geldende inkomens- en vermogensgrenzen.

II overige minima; huishoudens met een inkomen en vermogen dat beneden de voor hen geldende normen ligt.

Doelgroep I hoeft maar een maal een aanvraag in te dienen. Zolang men tot de doelgroep behoort bestaat er immers recht op eerder verstrekte regelingen (inkomen en vermogen liggen namelijk beneden de geldende grenzen), en worden deze ambtshalve verstrekt op basis van de eerste aanvraag.

Huishoudens, die tot doelgroep II behoren hoeven in principe ook maar een keer een aanvraag in te dienen. Vervolgens wordt periodiek (jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, jaarlijks en die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, een keer per vijf jaar) een heronderzoek gehouden. Wanneer uit dit heronderzoek blijkt dat nog aan de geldende voorwaarden wordt voldaan, dan kunnen de bijdragen behorende bij de eerder

toegekende regelingen weer uitbetaald worden.

Bewijsstukken

Het aanvraagformulier moet volledig worden ingevuld en ondertekend.

Tevens is het noodzakelijk dat bij het aanvraagformulier de gevraagde bewijsstukken worden gevoegd. Personen die een bijstandsuitkering ontvangen of personen bij wie de draagkrachtperiode nog loopt hoeven de bewijsstukken die betrekking hebben op inkomen en vermogen niet in te leveren.

Wanneer de verplichting geldt dat er bewijsstukken moeten worden verstrekt met betrekking tot het inkomen en vermogen, dan hoeft voor wat betreft de

bankrekening(en) in principe alleen het afschrift van de laatste maand te worden verstrekt. In geval van kwartaalinkomsten/eenmalige afkoop pensioenen of iets dergelijks kan het nodig zijn om hiervan de relevante bewijsstukken op te vragen.

Beslistermijnen

Voor aanvragen voor vergoedingen in het kader van het gemeentelijk minimabeleid geldt overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht een beslistermijn van 8 weken.

De processen zijn echter zodanig aangepast dat op bijna alle aanvragen in principe binnen een werkweek een besluit wordt genomen. Voorwaarde is dat de formulieren volledig zijn ingevuld en zijn voorzien van de gevraagde bewijsstukken.

Uitbetaling bijstand

De bijzondere bijstand wordt (indien mogelijk) direct betaalbaar gesteld aan de klant waarbij de klant pas in een later stadium de verstrekte bijstand moet verantwoorden.

Voorbeeld: In geval een wasmachine kapot is gegaan en moet worden vervangen, wordt na de aanvraag direct de geldende norm voor een wasmachine aan de klant betaalbaar gesteld. Hierdoor kan hij/zij direct tot aanschaf over gaan en hoeft niet eerst met offertes en dergelijke te komen.

Door in een later stadium de nota en/of het betaalbewijs te overleggen is de

rechtmatigheid aangetoond. Verstrekt de klant geen bewijsstukken achteraf, dan kan worden besloten bij toekomstige aanvragen pas bijstand betaalbaar te stellen wanneer de nota en/of het betaalbewijs is verstrekt aan de gemeente of over te gaan tot terugvordering van het verstrekte bedrag (niet besteed voor het doel waar het voor verstrekt is).Terugvordering is hierbij het uitgangspunt.

Het opsparen van diverse geringe kosten

Een aanvraag om bijstand moet in beginsel vooraf worden ingediend, voordat de kosten zijn gemaakt. Een uitzondering geldt voor zogenoemde kleine kosten.

Met de inkomensconsulent moet hierover vooraf contact zijn geweest voor toestemming (om te voorkomen dat de gemeente achteraf wordt geconfronteerd met aanvragen die al door de cliënt zijn voldaan en waarvan de noodzaak niet meer is vast te stellen). Deze kosten kunnen achteraf met bewijsstukken worden ingediend tot een jaar nadat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt (om elk misverstand te voorkomen: derhalve geldt

hier niet het betalingstijdstip, doch het tijdstip dat de kosten betaald hadden moeten worden). De totale opgespaarde kosten mogen een bedrag van €500,00 per kalenderjaar niet te boven gaan.

Toetsingskader aanvraag procedureel

  1. 1.

    Een aanvraag op grond van het minimabeleid hoeft in principe slechts eenmaal ingediend te worden.

  2. 2.

    De niet-uitkeringsgerechtigden krijgen ieder jaar een heronderzoek indien ze de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt. Heeft de uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd bereikt dan wordt dat heronderzoek eens in de 5 jaar uitgevoerd.

  3. 3.

    Het aanvraagformulier dient ondertekend en voorzien van de nodige bewijsstukken te worden ingediend, indien dit niet het geval is dan wordt conform de Algemene wet bestuursrecht gehandeld.

  4. 4.

    De bijzondere bijstand wordt (indien mogelijk) direct betaalbaar gesteld aan de klant waarbij de klant pas in een later stadium de verstrekte bijstand moet verantwoorden.

  5. 5.

    Verstrekt de klant geen bewijsstukken achteraf, dan kan worden besloten bij toekomstige aanvragen pas bijstand betaalbaar te stellen wanneer de nota en/of het betaalbewijs is verstrekt aan de gemeente of over te gaan tot terugvordering van het verstrekte bedrag.

  6. 6.

    Een aanvraag om bijstand moet in beginsel vooraf worden ingediend, voordat de kosten zijn gemaakt. Een uitzondering geldt voor zogenoemde kleine kosten, mits hierover vooraf contact is geweest met de inkomensconsulent. De totale opgespaarde kosten mogen een bedrag van € 500,00 per kalenderjaar niet te boven gaan.

Hoofdstuk 2. Bijzondere bijstand en de vastgestelde regelingen

Paragraaf

Bijzondere bijstand is een voorziening voor inwoners van gemeente De Wolden met een inkomen dat beneden de vastgestelde inkomens- en vermogensgrenzen ligt. Wanneer deze mensen in bijzondere omstandigheden, noodzakelijke kosten moeten maken die zij zelf niet kunnen betalen, kan de gemeente bijzondere bijstand verlenen. Elke gemeente stelt zelf haar regels vast omtrent toekenning van bijzondere bijstand en dit kan dan ook

per gemeente verschillen.

Gemeente De Wolden biedt een regeling aan op de volgende gebieden:

· Studiekosten (= participatie schoolgaande kinderen);

· Aanschaf van een computer en de kosten van het gebruik ervan (= participatie schoolgaande kinderen);

· Een aantal duurzame gebruiksgoederen;

· Sociaal participatiefonds;

· Collectieve ziektekostenverzekering.

Tegemoetkomingen in het kader van bijzondere bijstand en minimabeleid zijn onbelast en hebben geen gevolgen voor de hoogte van toeslagen zoals huurtoeslag.

Artikel 2.1. Verordening participatie schoolgaande kinderen 2012: Studiekostenregeling 2016/2017

Aanleiding

Met de Verordening participatie schoolgaande kinderen 2012 hebben burgemeester en wethouders een regeling vastgesteld voor inwoners met een laag inkomen, die kosten hebben in verband met het naar school gaan van hun kinderen. Hierdoor zien ouders/verzorgers zich vaak gesteld voor extra uitgaven, zoals schoolreisjes en schoolbenodigdheden. Omdat het niet wenselijk is dat kinderen de negatieve gevolgen van beperkte financiële middelen ondervinden, is deze regeling ingesteld om ouders/verzorgers extra te ondersteunen.

Doelgroep

Gezinnen die;

· ten laste komende kinderen hebben in de leeftijd van 12 tot 18 jaar, die het

voortgezet of beroepsonderwijs bezoeken.

Bij het vaststellen van de hoogte van de tegemoetkoming wordt onderscheid gemaakt tussen kinderen, die voor het eerst het voortgezet onderwijs bezoeken, kinderen die het voortgezet onderwijs al langer bezoeken en kinderen die naar het middelbaar of hoger onderwijs gaan.

Bijzonderheden

De tegemoetkoming kan niet met terugwerkende kracht worden aangevraagd. Het schooljaar waarin de tegemoetkoming wordt gevraagd is leidend. Wanneer in de ‘grote vakantie’ (zomervakantie) de tegemoetkoming wordt gevraagd, geldt deze voor het komende schooljaar.

Voor het schooljaar 2016/2017 kan een financiële tegemoetkoming voor de studiekosten op grond van de Verordening participatie schoolgaande kinderen 2012 worden aangevraagd.

Toetsingskader studiekosten

  1. 1.

    Het inkomen en/of uitkering van de ouders moet op het moment van

    aanvragen gelijk zijn aan of lager dan 110% van het geldende sociaal

    minimum.

  2. 2.

    De doelgroep is beperkt tot gezinnen die ten laste komende kinderen hebben in de leeftijd van 12 tot 18 jaar die het voortgezet of middelbaar/hoger onderwijs bezoeken.

  3. 3.

    De tegemoetkoming kan niet met terugwerkende kracht worden aangevraagd.

    Het schooljaar waarin de aanvraag wordt gedaan is leidend.

  4. 4.

    De tegemoetkoming bedraagt per jaar:

  1. .

    € 381,00 indien het kind voor het eerst naar het voortgezet onderwijs gaat

  2. .

    € 156,00 indien het kind naar het voortgezet onderwijs gaat

  3. .

    € 314,00 indien het kind naar het middelbaar/hoger onderwijs gaat.

Artikel 2.2. Verordening participatie schoolgaande kinderen: Kosten computer en het gebruik ervan

Aanleiding

De verordening participatie schoolgaande kinderen dient ter ondervanging van

toenemende kosten, als gevolg van het hebben van naar school gaande kinderen. Hiermee wordt getracht te voorkomen dat kinderen de negatieve gevolgen van de beperkte financiële middelen van hun ouders/verzorgers ervaren. De praktijk leert ons dat kinderen vanaf ongeveer 8 jaar les krijgen waarbij het gebruik van een computer aan de orde komt. Daarom is de leeftijd voor het aanvragen van een vergoeding voor de kosten van de computer en het gebruik ervan verlaagd van 12 jaar (voortgezet onderwijs) naar 8 jaar.

Doelgroep

Gezinnen die:

· ten laste komende kinderen hebben in de leeftijd van 8 tot 18 jaar die naar school gaan.

Bijzonderheden

Met het begrip ‘computer’ worden de synoniemen ‘laptop’, ‘notebook’ , tablet’ en een ‘PC’ verstaan inclusief toetsenbord, muis en beeldscherm. Voor het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt verwezen naar de Prijzengids van het Nibud waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopste voorziening. Een computer wordt maximaal eenmaal in de vijf jaar toegekend (afschrijftermijn conform Nibud).

Een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een computer wordt toegekend voor de duur dat betrokkene aan de gestelde voorwaarden voldoet. Wanneer het jongste kind de leeftijd van 18 jaar bereikt wordt de tegemoetkoming beëindigd. Onder gebruikskosten valt: internetverbinding, inktcartridge, papier. Wanneer men beschikt over een internetabonnement is dit voldoende ‘bewijslast’ om de bijstand voor de bovengenoemde periode ‘rechtmatig’ te betalen.

In principe wordt per huishouden voor maximaal 1 computer en printer bijzondere bijstand verstrekt.

1. Het inkomen en/of uitkering van de ouders moet op het moment van aanvragen gelijk zijn aan of lager dan 110% van het geldende sociaal

minimum

2. De doelgroep is beperkt tot gezinnen die ten laste komende kinderen hebben in de leeftijd van 8 tot 18 jaar die naar school gaan.

3. De tegemoetkoming voor een computer (laptop is goedkoopst adequate voorziening) bedraagt maximaal € 450,00

4. De tegemoetkoming voor een printer bedraagt maximaal € 70,00

5. De tegemoetkoming voor de gebruikskosten bedragen maximaal € 24,00 per maand

6. Er wordt per huishouden maximaal voor 1 computer en printer bijzondere

bijstand verstrekt

7. Een computer wordt in principe maximaal eenmaal in de vijf jaar toegekend

Artikel 2.3. Richtlijn duurzame gebruiksgoederen

Aanleiding

Wanneer een huishouden moet rondkomen van een minimum inkomen is het

(noodzakelijk) vervangen van duurzame gebruiksgoederen zoals bijvoorbeeld een wasmachine of een koelkast een financiële tegenvaller. Om te voorkomen dat dergelijke huishoudens in de financiële problemen terecht komen heeft het college de Richtlijn duurzame gebruiksgoederen vastgesteld. Deze richtlijn is een uitwerking van de artikelen 35, lid 1 en 51 van de Participatiewet.

Het hebben van een inkomen en een vermogen dat beneden de vastgestelde grenzen ligt is voldoende. Dit beperkt het administratieve onderzoek en de uitvraag van veel bewijsstukken bij de klant. Hierdoor kan sneller worden gehandeld wat de dienstverlening ten goede komt.

Doelgroep

De regeling is bedoeld voor inwoners van gemeente De Wolden van 21 jaar of ouder met een inkomen tot en met 110% van de voor hen geldende bijstandsnorm waarbij het vermogen beneden de voor hen geldende vermogensgrens ligt.

Uitzondering: Wanneer men voor de eerste keer zelfstandig gaat wonen en/of verhuist na echtscheiding moet men gebruik maken van de sociaal.nl. In

deze situaties heeft men kunnen reserveren voor deze aanschaf (als inwonende) of heeft men al duurzame gebruiksgoederen vanuit de vorige woonsituatie mee kunnen nemen (boedelverdeling).

Normbedragen en hoogte bijzondere bijstand

Ten behoeve van de kosten van aanschaf van, en vervanging van duurzame

gebruiksgoederen worden de normbedragen gehanteerd zoals deze zijn opgenomen in de Prijzengids van het Nibud. Het gaat om de meest recente Prijzengids. Deze is ook terug te vinden op www.nibud.nl.

Deze bijzondere bijstand wordt ‘om niet’ verstrekt.

Bijzonderheden

Het moet gaan om de aanschaf of vervanging van duurzame gebruiksgoederen die als ‘noodzakelijk’ worden beschouwd. Daarom is de regeling gelimiteerd tot 4 gebruiksgoederen. Door (achteraf) nota’s te overleggen moet de cliënt aantonen dat de kosten daadwerkelijk worden gemaakt. Zie ook 1.4. Bij vervanging van duurzame gebruiksgoederen wordt rekening gehouden met de afschrijftermijnen zoals deze gehanteerd worden volgens het Nibud.

Als noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen (met daarachter de gebruikelijke minimale levensduur volgens Nibud) kunnen in deze regeling worden aangemerkt;

  1. -

    wasmachine 10 jaar

  2. -

    koelkast 10 jaar

  3. -

    televisie 10 jaar

  4. -

    gastoestel 10 jaar

De overige inboedel/duurzame gebruiksgoederen vallen onder herinrichtingskosten. Zie hiervoor punt 3.1.

Toetsingskader duurzame gebruiksgoederen

  1. 1.

    Het inkomen en/of uitkering van de aanvrager moet op het moment van aanvragen gelijk zijn aan of lager dan 110% van het geldende sociaal minimum en het vermogen moet beneden de toepasselijke vermogensgrens liggen (tenzij eerste keer zelfstandig wonen of verhuizen na echtscheiding). Uitgezonderd voor inwoners die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en wanneer het vermogen in onroerend goed zit.

  2. 2.

    Het moet gaan om de aanschaf of vervanging van noodzakelijke, duurzame gebruiksgoederen. Hiertoe worden gerekend:

    1. -

      wasmachine,

    2. -

      koelkast,

    3. -

      televisie en

    4. -

      gastoestel

  3. 3.

    Bij vervanging wordt uitgegaan van de afschrijftermijnen die het Nibud hanteert

  4. 4.

    De bijzondere bijstand wordt ‘om niet’ verstrekt en

  5. 5.

    Voor de hoogte van de bijzondere bijstand wordt aansluiting gezocht bij normbedragen zoals opgenomen in de Prijzengids van het Nibud.

Artikel 2.4. Collectieve ziektekostenverzekering

Aanleiding

Huishoudens met een laag inkomen kunnen via de gemeente De Wolden een collectieve ziektekostenverzekering afsluiten. De gemeente heeft hiervoor een overeenkomst afgesloten met Zilveren Kruis. Door het collectief afsluiten van deze verzekering kan een lagere premie bedongen worden en betere voorwaarden voor wat betreft de aanvullende verzekering. Deze voordelen komen direct ten goede aan de minima in de vorm van betere zorg, betere toegang tot zorg en een reductie van de premie. De premiebijdrage is een vorm van categoriale bijzondere bijstand (artikel 35 lid 3 Participatiewet). Let wel: de inkomensbeperking tot en met 120% van de toepasselijke bijstandsnorm blijft voor categoriale bijzondere bijstand (voorlopig) gewoon bestaan.

Doelgroep

De regeling is bedoeld voor inwoners van gemeente De Wolden van 21 jaar of ouder met een inkomen tot en met 120% van de voor hen geldende bijstandsnorm waarbij het vermogen beneden de voor hen geldende vermogensgrens ligt.

Om deel te kunnen nemen kunnen cliënten vanaf 1 januari 2016 kiezen uit drie zorgverzekeringen bij Zilveren Kruis. Te weten:

Basis Zeker, Optimaal Aanvullend 1, Aanvullend Tand 1 ster

Basis Zeker, Optimaal Aanvullend 2, Aanvullend Tand 1 ster

Basis Zeker, Optimaal Aanvullend 3, Aanvullend Tand 2 sterren

De tandartsverzekering is verplicht behalve voor klanten die een volledige gebitsprothese hebben (boven- en onder prothese).

Uitgesloten voor deelname aan de collectieve ziektekostenregeling zijn:

  1. 1.

    Studenten met een uitkering op grond van de Wet studiefinanciering 2000. Dit geldt ook voor degenen die zelfstandig een tegemoetkoming in de studiekosten op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) ontvangen.

  2. 2.

    Zelfstandigen met een Bbz-uitkering levensonderhoud, niet zijnde een lening.

  3. 3.

    Vreemdelingen (inwoners die niet voldoen aan het gestelde in artikel 11, lid 2 en 3 van de Participatiewet, samengevat vreemdelingen die niet onder de werking van de Participatiewet vallen).

Aanvragen deelname aan de collectieve ziektekostenregeling.

Er zijn 2 mogelijkheden. Of men is al verzekerd bij Zilveren Kruis, of men is

verzekerd bij een andere zorgverzekeraar. Beide situaties worden hieronder beschreven.

Belanghebbende is al verzekerd bij Zilveren Kruis en wil gebruik maken van de collectieve verzekering.Wanneer betrokkene tot de doelgroep behoort wordt de huidige verzekering bij Zilveren Kruis omgezet in een collectieve verzekering. Aanvrager machtigt Zilveren Kruis voor automatische incasso van de premie van zijn/haar bank- of girorekening.

Belanghebbende is nog niet verzekerd bij Zilveren Kruis en wil gebruik maken van de collectieve verzekering.Om deel te kunnen nemen aan de collectieve verzekering moet belanghebbende van zorgverzekeraar veranderen. Indien belanghebbende besluit om over te stappen naar een andere ziektekostenverzekeraar dan kan dat elk jaar per 1 januari. Het is van belang dat belanghebbende de aanvraag tijdig indient bij de gemeente, wanneer hij per 1 januari deel wil nemen aan de collectieve ziektekostenverzekering. De aanvraag moet voor een bepaalde datum in een lopend jaar zijn ontvangen meestal is dat begin december. Anders kan er niet per 1 januari van het komende jaar worden overgestapt. Als belanghebbende aan de voorwaarden voldoet, stuurt de gemeente vervolgens de aanvraagformulieren door naar Zilveren Kruis.

Reiskosten

Vergoeding is mogelijk, uitgaande van het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Slechts in zeer bijzondere gevallen is een reiskostenvergoeding naar andere ziekenhuizen mogelijk.

Dit geldt uiteraard alleen voor consulten en niet voor ziekenbezoek.

Om de reiskosten aan te kunnen tonen moeten bewijsstukken worden overlegd. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn afsprakenkaart, nota’s enz.

Vergoeding vindt plaats conform het openbaar vervoer tarief of bij eigen auto het vrijgesteld bedrag door de belastingdienst, thans € 0,19 per kilometer.

Ziektekosten – eigen risico

Voor de kosten van het wettelijk vastgestelde eigen risico (voor 2017 € 385,00 per jaar per persoon) wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

Toetsingskader collectieve ziektekostenverzekering

  1. 1.

    Het inkomen en/of uitkering van de aanvrager moet gelijk zijn aan of lager dan 120% van het geldende sociaal minimum en het vermogen moet beneden de toepasselijke vermogensgrens liggen. Voor inwoners met de pensioengerechtigde leeftijd waarbij het vermogen in onroerend goed zit wordt het vermogen vrijgelaten.

  2. 2.

    Vergoedt de collectieve ziektekostenverzekering de gedeclareerde kosten niet, dan worden de kosten geacht niet noodzakelijk te zijn en wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

  3. 3.

    Heeft de klant geen collectieve ziektekostenverzekering afgesloten dan wordt beoordeeld of er sprake is van verzekering conform het niveau van onze collectieve ziektekostenverzekering en wordt bezien of bijzondere bijstand toegekend kan worden.

  4. 4.

    Heeft de klant een hoger eigen risico dan het wettelijk vastgestelde eigen risico dan wordt verwacht dat de klant daar ook voor reserveert. Bijzondere bijstand voor eigen risico wordt niet toegekend.

  5. 5.

    Bijzondere bijstand voor reiskosten is in bepaalde gevallen mogelijk.

Hoofdstuk 3. Participatiewet - Overige

Artikel 3.1. Verhuizing, herinrichting en woninginrichting

Hoofdregel

Bijzondere bijstand is op grond van artikel 35 lid 1 Participatiewet slechts mogelijk voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. De kosten, die verband houden met een verhuizing of (her)inrichting behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Dergelijke kosten moeten worden voldaan uit de bijstandsuitkering of het daarmee in hoogte vergelijkbaar inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door gespreide betaling achteraf. Hieruit volgt dat er in beginsel geen bijzondere bijstand verstrekt wordt voor de kosten van verhuizing, herinrichting en woninginrichting.

In paragraaf 2.1 Duurzame Gebruiksgoederen staan enkele goederen vermeld welke ‘om niet’ onder voorwaarden worden verstrekt, deze verstrekking vindt plaats onder toepassing van de richtlijn duurzame gebruiksgoederen.

Bij de beoordeling van een aanvraag voor vergoeding van de kosten van verhuizing, herinrichting en woninginrichting wordt de onderstaande volgorde voor toekenning aangehouden:

  1. 1.

    Welke mogelijkheden heeft cliënt zelf om te voorzien in deze kosten? (bescheiden vermogen hoger dan € 2.000,00)

  2. 2.

    Lening GKB

  3. 3.

    Borgstelling GKB

  4. 4.

    Bijstand in de vorm van een lening (leenbijstand)

  5. 5.

    Bijstand om niet

Bijzonderheden

Als de behandelingsduur van een aanvraag om een voorliggende voorziening zodanig veel tijd vergt dat daardoor de verhuizing op losse schroeven komt te staan, kan bijstand worden verleend voor een noodzakelijke verhuizing. De cliënt moet dan overigens aan de voorwaarden tot bijstandsverlening voldoen. Als voorwaarde dient gesteld te worden, dat cliënt een beroep doet op de betreffende voorliggende voorziening en de eventueel toe te kennen uitkering aan het college van B&W cedeert.

Statushouders

Bij vestiging van statushouders in de gemeente De Wolden wordt de woning, in samenwerking met Vluchtelingenwerk Noord Nederland en de statushouders, ingericht. Voor de inrichtingskosten, die op grond van de Prijzengids van het Nibud wordt vastgesteld, wordt via de gemeente een lening verstrekt.

Verhuizing en begripsbepaling

Kosten woninginrichting

Deze kunnen worden onderscheiden in:

  1. 1.

    aanschaf huisraad en andere duurzame gebruiksgoederen (geen vervanging);

  2. 2.

    de mogelijkheid van overname van goederen van de vorige bewoner;

  3. 3.

    het bedrag dat cliënt(e) ontvangt uit de goederen die kunnen worden overgedaan aan de nieuwe bewoner van de woning die voorheen werd bewoond;

  4. 4.

    stoffering die kan worden overgenomen.

Belangrijk

Bij het behandelen van een aanvraag wordt onder meer rekening gehouden met:

Eerste woninginrichting

Voor een eerste woninginrichting kan in het kader van de Participatiewet nooit bijstand

  1. -

    worden verstrekt. Dus ook geen borgstelling. In deze situatie wordt men geacht door reservering c.q. gespreide betaling achteraf, hierin te voorzien;

  2. -

    vermogen

    Bij de beoordeling van een aanvraag om bijstand voor verhuis- en/of herinrichtingskosten dient het zgn. bescheiden vermogen tot € 2.000,-- te worden vrijgelaten;

  3. -

    verhuizing naar andere gemeente

    Bij verhuizing naar een andere gemeente beslist de gemeente waar men zich gaat vestigen op de bijstandsaanvraag voor de kosten van (her)inrichting en de indirecte verhuiskosten (waarborgsom, aansluitkosten e.d.).

Als bijstand wordt gevraagd door een weggelopen minderjarige wordt nagegaan of de ouders bereid en in staat geacht kunnen worden de kosten voor hun rekening te nemen.

Wanneer sprake is van echtscheiding c.q. een procedure tot echtscheiding wordt aangedrongen op de totstandkoming van een boedelscheiding waarmee rekening kan worden gehouden bij de vaststelling van de noodzakelijke kosten.

Verhuizing en vaststelling noodzaak van verhuizing

Uitgangspunten

  1. -

    Als de noodzaak ontbreekt dan wordt de aanvraag direct afgewezen. In dit verband wordt behalve de noodzaak van verhuizing ook de voorzienbaarheid en uitstelbaarheid van verhuizing onderzocht en in de rapportage vastgelegd.

  2. -

    Ook als een verhuizing/herinrichting noodzakelijk is, kan in het algemeen geen bijstand worden verleend in verhuis- en herinrichtingskosten, omdat deze kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die uit het ter beschikking staande inkomen dienen te worden bestreden. Zie het rijtje van beoordelingsvolgorde op pagina 14.

Bijzonderheden

  1. -

    Alleen bij bijzondere, zich onverwacht voordoende omstandigheden (waarbij de WMO ook geen vergoeding kan bieden) kan er aanleiding zijn bijstand te verlenen wanneer geen of onvoldoende reserveringscapaciteit aanwezig is. Voor het bepalen van de voorzienbaarheid van de verhuizing is onder andere de inschrijvingsdatum als woningzoekende van belang.

  2. -

    In zeer bijzondere situaties (acute noodsituaties) kan er een urgentieverklaring bij de Woningbouwvereniging aanwezig zijn en hierbij een rol spelen. Als met name medische factoren in het geding zijn kan een medische indicatie bij een indicatiestellend orgaan (bijv. Zenit) worden aangevraagd. Hierbij dient er rekening mee te worden gehouden dat de aanwezigheid van een sociale of medische indicatie op zich geen reden kan vormen om bijstand te verlenen (ook dan behandelingsvolgorde van pagina 20 toepassen).

  3. -

    Bijstandsverlening voor een verhuizing enkel op grond van een sociale of medische indicatie is in het algemeen niet mogelijk.

  4. -

    In de rapportage dienen alle feiten en omstandigheden die tot de verhuizing hebben geleid (zowel medisch als sociale) te worden vermeld, teneinde de noodzaak van de verhuizing te kunnen vaststellen.

Voorbeeld

Een jeugdig echtpaar dat bijvoorbeeld in verband met de komst van een kind naar een eengezinswoning wenst te verhuizen of een wat ouder echtpaar dat een kleinere woning wenst te betrekken zal in verband met de voorzienbaarheid van de verhuizing zelf in de verhuis- en herinrichtingskosten dienen te voorzien. Bijvoorbeeld door middel van het aangaan van een lening bij de geëigende kredietverlenende instelling, respectievelijk de verhuizing moet uitstellen totdat voldoende is gereserveerd.

N.B.:

Als het gebruikelijke onderzoek (naar de voorzienbaarheid en uitstelbaarheid) niet kan plaatsvinden omdat cliënt direct een beslissing op zijn aanvraag wenst, respectievelijk nodig heeft, dan wordt daar in het algemeen niet op ingegaan (evenmin voor de betaling van de waarborgsom). Dit geldt temeer als betrokkene al over zelfstandige huisvesting beschikt. Het college van B&W heeft een redelijke termijn nodig voor het afhandelen van de aanvraag.

Verhuizing en berekening noodzakelijk geachte bedrag

  1. -

    Uitsluitend uit gaan van noodzakelijk aan te schaffen goederen i.v.m. de verhuizing.

  2. -

    Beoordeling aan de hand van een door cliënt op te stellen lijst.

  3. -

    In het algemeen geen pro-forma nota's vragen.

  4. -

    In zeer bijzondere situaties pro-forma-nota's vragen als enigerlei vorm van begeleiding bij de inrichting noodzakelijk is; In die gevallen bij toekenning van bijstand bij voorkeur overgaan tot rechtstreekse betaling aan de leverancier (machtiging cliënt innemen).

  5. -

    Bij algehele inrichting wordt in principe het geldende totaalbedrag aangehouden.

  6. -

    Bij deelinrichting in het rapport een specificatie met richtprijzen opnemen.

  7. -

    Bij het vaststellen van het benodigd bedrag ervan uitgaan dat van cliënt in redelijkheid mag worden verwacht dat hij/zij bij het inkopen van de benodigde goederen prijsbewust te werk gaat.

  8. -

    Bij verhuis- en herinrichtingskosten rekening houden met enige zelfwerkzaamheid.

  9. -

    Er behoeft niet enkel en alleen uit te worden gegaan van de aanschafprijs van nieuwe goederen, ook kringloopwinkel en internet bieden goede gebruiksgoederen aan, wat kan leiden tot een lagere vergoeding c.q. lagere lening.

Let wel, bij algehele inrichting gaat het om een maximumbedrag. Dit bedrag dient evenredig verlaagd te worden als al een aantal goederen op de een of andere wijze zijn verkregen, bijvoorbeeld ook door overname van goederen en/of bijvoorbeeld door boedelscheiding, kringloopwinkel of internet. Verhoudingsgewijs zal dan het maximumbedrag verlaagd moeten worden om het besteedbare bedrag zoveel mogelijk gelijk te houden. Dit kan niet afhangen van het toevallige voordeel van overname. Bovendien geldt bij een lagere prijs voor de inrichting ook een lagere lening voor de cliënt. Voor de afzonderlijke gebruiksgoederen zijn er richtprijzen zoals opgenomen in de Prijzengids van het Nibud.

N.B.:

Volgens jurisprudentie dienen ook inwonende verdienende kinderen mee te dragen in de voorzieningen, die hun eveneens ten goede komen. Bij de aanvraag wordt niet alleen rekening gehouden met de inkomsten van aanvrager en partner, maar met de inkomsten en vermogens van alle gezinsleden.

Berekening reserveringscapaciteit, verhuizing of (her)inrichting

Als regel zal het bij een verhuizing om voorzienbare kosten gaan. Vanaf het moment, dat men op de hoogte is van de noodzaak tot verhuizen, wordt men geacht om hiervoor van zijn inkomen, ook van een bijstandsuitkering te reserveren. Het moment, waarop men geacht wordt een aanvang te maken met reserveren kan, gelet op voorgaande, gelegen zijn voor de datum van inschrijving als woningzoekende. Men dient echter tenminste vanaf de datum van inschrijving te reserveren. Daarom dient aan deze inschrijvingsdatum geen doorslaggevende betekenis te worden gehecht bij de bepaling van de reserveringscapaciteit.

Voorbeelden:

  1. -

    Iemand woont al vele jaren op een bepaald adres. Sinds geruime tijd zijn er problemen met de verhuurder wegens achterstallig onderhoud. Men heeft last van ongedierte in de woning. Client besluit uiteindelijk zich te laten inschrijven als woningzoekende, waarna op zeer korte termijn een woningtoewijzing volgt. In casu is sprake van een voorzienbare verhuizing vanaf een moment ruimschoots gelegen voor de inschrijvingsdatum bij de Woningbouwvereniging. Vanaf dat moment wordt cliënt geacht te reserveren.

Voor een inwonend gezin geldt in zijn algemeenheid, dat men vanaf de datum van inwoning al bezig is met de verkrijging van andere, zelfstandige woonruimte. Als basis voor het te reserveren bedrag kan in ieder geval worden aangehouden de aflossingsbedragen bij een lening (bij verblijf in een pension zal dit gewoonlijk niet

  1. -

    haalbaar zijn). Bij inwoning ligt het reserveringsbedrag in zijn algemeenheid hoger. Potentiele cliënten voor verhuis- en/of (her)inrichtingskosten zullen in bepaalde gevallen bij deze afdeling bekend kunnen zijn. Al in het beginstadium moeten deze cliënten ook met betrekking tot eventuele herinrichtingskosten worden gewezen op de werkwijze in deze en op de spelregels die hiervoor gelden. Niet betaalde woonkosten in verband met inwoning kunnen als extra reserve voorverhuizing en (her)inrichting worden aangemerkt.

Verhuizing of (her)inrichting en eigen verantwoordelijkheid

De manier waarop de huishouding is gevoerd en/of bijvoorbeeld de hoogte van het kostgeld dat men heeft betaald, kan van belang zijn om de reserveringsmogelijkheid in redelijkheid te kunnen bepalen. De rapportage zal hierop het antwoord moeten geven. Als er niet is gereserveerd terwijl hiertoe wel de mogelijkheid was, kan gelet op voorgaande geen bijstand worden verleend. Slechts in uitzonderlijke schrijnende situaties kan hierop een uitzondering worden gemaakt. Wegens een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid dient dan een verlaging van de te verlenen bijstand tot een absoluut minimum en/of een verlenging van de aflossingsduur te worden overwogen.

Verhuizing of (her)inrichting en vermogen c.q. reservering

Als cliënt eigen vermogen heeft c.q. heeft gereserveerd komt de vraag op waarvoor het vermogen c.q. de reservering moet worden gebruikt. Omdat de Participatiewet een aanvullend karakter draagt en volstaan dient te worden met een passende goedkope voorziening dient de te verlenen bijstand zoveel mogelijk in de vorm van een geldlening te worden verstrekt. Hierbij moet rekening worden gehouden met de draagkrachtregels zoals deze gelden voor duurzame gebruiksgoederen (zie draagkracht en vermogen/ inkomen).

Verhuizing en wijze van aflossing

Voor verstrekking van leenbijstand dient er een concrete, reële, direct ingaande aflossingsregeling te zijn getroffen, die in het algemeen gebaseerd dient te zijn op de geldende aflossingsbedragen. Door sociaal.nl kan normaliter een lening verstrekt worden ter hoogte van de aflossingsbedragen over een termijn van 3 jaar. Bij een hoger inkomen dan bijstand zal dit bedrag hoger zijn. Voor zover de noodzakelijke kosten hoger zijn dan dat bedrag, zal aanvullend bijstand "om niet" verstrekt kunnen worden.

Verhuizing en borgstelling

De GKB kan soms wel bereid zijn een lening te verstrekken, maar alleen onder

borgstelling van de gemeente. Het verlenen van borgstelling is een vorm van

bijstandsverlening, die aan dezelfde wettelijke regels is gebonden als andere vormen van bijzondere bijstand.

Verhuizing en leenbijstand

Als kredietverlening door de GKB niet kan plaatsvinden (ook niet onder borgstelling), kan in de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen leenbijstand worden verstrekt, eventueel met aanvullende bijstand ‘om niet’, zie hierna.

Verhuizing en waarborgsom

Voor de waarborgsom kan geen bijstand worden verleend. Een waarborgsom behoort niet tot de bijzondere kosten, maar tot de incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan. Men wordt geacht hier zelf voor te reserveren.

Bijzondere omstandigheden/maatwerk

  1. -

    Mochten er op grond van bijzondere omstandigheden toch redenen zijn om hiervoor bijstand te verstrekken dan dient dit in de vorm van een geldlening te geschieden.

  2. -

    Uitgangspunt is dat de bijstand direct wordt terugbetaald. Mocht er echter bijvoorbeeld naast de waarborgsom ook bijstand zijn verleend voor inrichtingskosten (eventueel onder borgstelling) dan dient die aflossing aansluitend plaats te vinden.

  3. -

    Het enkele feit dat de cliënt al 3 jaar moet aflossen voor de terugbetaling van duurzame goederen is nadrukkelijk geen reden de waarborgsom ‘om niet’ te verstrekken.

Verhuizing en mogelijkheden bijstand ‘om niet’

De directe kosten van de verhuizing, zoals de (dubbele) huur, kosten

verhuisbusje/boedelbak tot maximaal € 100,00 (staat niet in Nibud), verf en behang kunnen ’om niet‘ verstrekt worden. In (echt) bijzondere situaties kan ook in de kosten van (her)inrichting bijstand ’om niet‘ worden verleend. Hierbij valt te denken aan een gedwongen verhuizing op medische gronden binnen een periode van 5 jaar. Het zou niet verantwoord zijn betrokkene dan nogmaals met een lening te belasten.

Richtprijzen verhuiskosten en herinrichtingskosten

Voor de richtprijzen voor verhuiskosten en herinrichting wordt verwezen naar de Prijzengids van het Nibud. Van deze richtprijzen kunnen goederen van een redelijke kwaliteit en uitvoering worden aangeschaft. Hierbij wordt uitdrukkelijk gesteld, dat deze prijzen in zijn algemeenheid als maximum prijzen dienen te worden gehanteerd. Is cliënt in staat om de noodzakelijke goederen voor een lager bedrag aan te schaffen, bv via internet of een kringloopwinkel, dan wordt de hoogte van de bijstand hierop afgestemd. Hierbij geldt dat een lager bedrag bij een lening ook in het belang van de cliënt is. Verantwoordelijkheid ligt hiervoor bij cliënt.

De Prijzengids van het Nibud dient als hulpmiddel bij de vaststelling van een eventuele maximale bijstand. Vooraf dient te worden vastgesteld, welke verstrekkingen als noodzakelijk in de zin van de Participatiewet dienen te worden aangemerkt. Als bij een totaalinrichting bepaalde goederen al aanwezig zijn, kan de Prijzengids een indicatie geven met welke bedragen het totaalbedrag dient te worden verminderd.

Toetsingskader bijzondere bijstand voor verhuizing, her- en woninginrichting

  1. 1.

    Het inkomen en/of uitkering van de aanvrager moet gelijk zijn aan of lager dan 110% van het geldende sociaal minimum en het vermogen moet beneden de toepasselijke vermogensgrens liggen.

  2. 2.

    De kosten, die verband houden met een verhuizing of (her)inrichting behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Dergelijke kosten moeten in beginsel worden voldaan uit de bijstandsuitkering of het daarmee in hoogte vergelijkbare inkomen, hetzij door middel van reservering vooraf, hetzij door gespreide betaling achteraf.

  3. 3.

    Ontbreekt de noodzaak voor de verhuizing, is de verhuizing voorzienbaar of uit te stellen dan wordt de aanvraag afgewezen. Slechts in zeer bijzondere situaties kan er aanleiding zijn bijzondere bijstand toe te kennen.

  4. 4.

    Bij de berekening van het vast te stellen bedrag wordt slechts rekening gehouden met noodzakelijk aan te schaffen goederen.

  5. 5.

    Voor de richtprijzen van verhuizing en herinrichting wordt aansluiting gezocht bij de Prijzengids van het Nibud, dit zijn maximale richtprijzen.

Artikel 3.2. Aflossing leningen en bijzonder bijstand

Algemeen

Ten aanzien van het verstrekken van leningen hanteert de gemeente een voorliggende voorziening. In principe is sociaal.nl de aangewezen instantie

om leningen te verstrekken aan bijstandsgerechtigden. Dit speelt met name bij leningen voor inrichtingskosten. Door de GKB wordt getoetst of een lening realiseerbaar is. Veelal zal een verzoek aan de gemeente volgen om de aflossingsruimte in de bijstand aan te wenden en zal worden verzocht om het vastgestelde aflossingsbedrag in te houden op de Participatiewet -uitkering.

Bijzondere bijstand

De gemeente hanteert voor inhouding voor aflossingen op leningen het volgende beleid:

Maximaal 5% van de van toepassing zijnde Participatiewet -norm inclusief vakantietoeslag wordt aangewend voor de maandelijkse aflossing van een lening afgesloten via de GKB of via de gemeente. De 5%-norm wordt aangehouden vanwege een veronderstelde reserveringscapaciteit voor duurzame gebruiksgoederen in de norm.

Indien de gewenste aflossingsbedragen door sociaal.nl uitstijgen boven de 5%-norm, dan wordt voor het meerdere bijzondere bijstand ‘om niet’ verleend (voor zover het gaat ombijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan ). Centrale gedachte hierbij is dat een gerechtigde op een Participatiewet -uitkering niet in staat moet worden geacht om langdurig een deel van een toch al minimaal inkomen te moeten besteden aan de aflossing van schulden of een lening. De aanpassing van de normen per (half) jaar en de daaruit voortvloeiende wijziging van de aflossing en de bijzondere bijstand geschiedt door de administratie.

NB: Wanneer men niet heeft afgelost conform bovenstaand beleid en er moet worden teruggevorderd, dan geldt het op dat moment geldende gemeentelijke terugvorderingsbeleid.

Beslaglegging

Indien er beslag wordt gelegd op de uitkering, dan zal, afhankelijk van de preferentie van de beslaglegging, de aflossing tijdelijk moeten worden beëindigd, omdat de gerechtigde op een Participatiewet -uitkering immers de bescherming heeft van de beslagvrije voet. Daardoor ontvangt hij altijd minimaal een bedrag van 90% van de voor hem geldende norm. In De Wolden is de aflossingsruimte vastgesteld op 5%. Hierdoor blijft er ruimte over voor beslaglegging en wordt de aflossing niet beëindigd bij beslaglegging.

Als al beslag is gelegd op de uitkering op het moment van toekenning van

leenbijstand, dan wordt de beslaglegging voortgezet en vindt aflossing van de lening pas plaats als het beslag is opgeheven. Dit geldt echter niet als er sprake is van terugvordering van bijstand. Terugvordering is een bevoorrechte vordering en zal tot gevolg hebben dat de meeste beslagleggingen door derden moeten worden opgeschort.

Maatregel of boete

Indien aan een belanghebbende een maatregel op grond van de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ De Wolden is opgelegd of de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive, dient de aflossing te worden stopgezet en achtereenvolgens eerst de boete en daarna de maatregel te worden verrekend. Dit gebeurt in principe in overleg met de belanghebbende, doch zijn/ haar medewerking is niet vereist. De aflossing van de schulden wordt hervat nadat de boete en/ of de maatregel zijn voldaan. De bijzondere bijstand wordt dan eveneens weer voortgezet.

Toetsingskader aflossing leningen en bijzondere bijstand

  1. 1.

    Maximaal 5% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag wordt aangewend voor de aflossing van een lening bij sociaal.nl of de gemeente.

  2. 2.

    Bedraagt het aflossingsbedrag meer dan de 5%-norm zoals onder 1. vermeld dan wordt voor het meerdere bijzondere bijstand ‘om niet’ verleend.

Artikel 3.3. Inkomsten zelfstandige korten

Algemeen

Indien sprake is van een zelfstandige in de zin van het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 dan is de wijze van inkomsten korten zoals vroeger bedoeld in artikel 45 lid 2 ABW sub b en artikel 6 lid 2 huidig Bbz van toepassing. De zogenaamde loonheffing bij zelfstandigen wijzigt per (belasting)jaar. Voor 2013 bedraagt de loonheffing 23%, voor 2014 21% en voor 2015 en 2016 20%. Voor 2017 21%.

Door deze forfaitaire vaststelling zijn voor zelfstandigen eventuele toekomstige

belasting- en premieteruggaven of –naheffingen niet van belang en blijven buiten beschouwing als inkomen.

Uitzondering – inkomsten uit marginale zelfstandige activiteiten

Inkomsten uit marginale zelfstandige activiteiten kunnen op aanvraag door alle in de bijstand te onderscheiden categorieën van bijstandsgerechtigden worden verworven.

Hierbij moet worden gedacht aan productieve activiteiten van geringe omvang, die bescheiden inkomsten opleveren en die voor eigen rekening en risico worden uitgevoerd door uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt vanwege oorzaken als sociaal-culturele achtergronden, het ontbreken van opleiding, het gebrek aan ervaring met werken in loondienst, of de lange werkloosheidsduur.

Kenmerkend voor deze activiteiten is dat deze naar verwachting ook op termijn, niet zullen leiden tot voldoende inkomsten om zelfstandig in de kosten van het levensonderhoud te voorzien.

De werkcoaches bepalen of de bedrijfs- of beroepsmatige activiteiten van bescheiden omvang zijn of niet. De werkcoaches bepalen of er toestemming wordt verleend voor deze activiteiten. Als richtlijn geldt dat de tijd die aan deze activiteiten wordt besteed, zich beperkt tot maximaal 20 uur per week. Wanneer de activiteiten van meer dan bescheiden omvang zijn, kan de belanghebbende voor de keus worden gesteld om:

  1. -

    of de activiteiten terug te brengen tot een bescheiden omvang (marginale inkomsten)

  2. -

    of de activiteiten uit te bouwen tot een volwaardig bedrijf of beroep, eventueel met behulp van het Bbz 2004.

  3. -

    of voor deze zakelijke activiteiten een zakelijke rekening te openen.

Indien de zelfstandige niet voldoet aan de eisen die het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 stelt, dan is de wijze van korten volgens forfaitaire vaststelling niet aan de orde. In de situatie dat er sprake is van marginale werkzaamheden als zelfstandige, wordt de bijstand achteraf op jaarbasis berekend.

De bijstand wordt per maand voorlopig berekend onder aftrek van de opgegeven inkomsten (aan de hand van het ingeleverde Wufje). Na afloop van een kalenderjaar vindt de definitieve berekening van de bijstand plaats op basis van de jaarstukken.

Overigens dient opgemerkt dat er in een dergelijke situatie slechts bijstand kan worden verleend met als uitgangspunt dat de belanghebbende arbeid in dienstbetrekking gaat zoeken.

Om die reden worden gevestigde en startende zelfstandigen en bijstandsgerechtigden die aangemerkt worden als pre-starters (art 2 lid 3 Bbz 2004), ook al ligt het eigen inkomen beneden de bijstandsgrens, niet als marginaal zelfstandigen aangemerkt. Voor hen gelden de regels voor bijstandsverlening aan zelfstandigen.

Korten inkomsten

De inkomsten van de zelfstandige die

  1. -

    algemene bijstand ontvangt en;

  2. -

    inkomsten uit (zelfstandige) arbeid geniet,

  3. -

    dienen bruto gekort te worden.

De inkomsten worden in beginsel voor 100% in mindering gebracht op de van

toepassing zijnde bijstandsnorm. De vrijlatingsbepalingen van artikel 31, tweede lid Participatiewet, zijn – voor zover aan de overige voorwaarden is voldaan – onverkort van toepassing. Dit geldt ook voor de vrijlating van inkomsten Participatiewet, Ioaw en Ioaz.

Bijstand voor belasting(aanslag)

Indien een belanghebbende achteraf na korting van de inkomsten op grond van de Participatiewet een belastingaanslag ontvangt, dan kan algemene bijstand verstrekt worden voor de kosten die deze belastingaanslag met zich mee brengt en die betrekking hebben op de marginale werkzaamheden als zelfstandige.

Toetsingskader korten inkomsten zelfstandige

  1. 1.

    Indien sprake is van een zelfstandige in de zin van het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 dan wordt voor de inkomstenkorting uiteraard aansluiting gezocht bij de toepasselijke wetgeving.

  2. 2.

    Inkomsten uit marginale zelfstandige activiteiten zijn toegestaan, mits:

    1. -

      productieve activiteiten van bescheiden omvang (maximaal 20 uur/week),

    2. -

      die bescheiden inkomsten opleveren en

    3. -

      die voor eigen rekening en risico worden uitgevoerd door,

    4. -

      uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt

    5. -

      kenmerkend voor deze activiteiten is dat deze naar verwachting ook op termijn, niet zullen leiden tot voldoende inkomsten om zelfstandig in de kosten van het levensonderhoud te voorzien,

    6. -

      bovendien blijft de sollicitatieplicht bestaan.

    7. -

      voor de activiteiten dient er sprake te zijn van een zakelijke rekening.

  3. 3.

    De inkomsten uit marginale zelfstandige activiteiten worden maandelijks voor 100% (bruto) in mindering gebracht op de uitkering, na afloop van een kalenderjaar. Betrokkene moet zich uitschrijven bij de Kamer van Koophandel en de aangifte is niet als zelfstandige maar als overige werkzaamheden.

Artikel 3.4. Woonkostentoeslag

Hoofdregel

In de Participatiewet -norm zit een bedrag begrepen voor woonkosten. Bij hogere woonkosten dan het bedrag dat in de norm is begrepen, kan huurtoeslag worden aangevraagd. Slechts in die situaties waarin nog geen aanspraak op huurtoeslag bestaat of er wel aanspraak bestaat, maar de huurtoeslag ontoereikend is, kan een woonkostentoeslag worden verstrekt.

Periode van toekenning

De woonkostentoeslag wordt toegekend voor maximaal 1 jaar en de verhuisplicht wordt expliciet opgelegd in de toekenningsbeschikking. Verlenging van de woonkostentoeslag (nadat een nieuwe aanvraag is ingediend door belanghebbende) is mogelijk indien belanghebbende aan kan tonen dat hij in redelijkheid zijn eigen woning niet heeft kunnen verkopen en geen goedkopere woonruimte heeft kunnen verkrijgen. Ingeval van een nieuwe aanvraag dient belanghebbende aan te geven waarom de woning nog niet is verkocht en welke acties door belanghebbende en zijn makelaar zijn ondernomen om de woning te verkopen en/of waarom het nog niet is gelukt om goedkopere woonruimte te vinden. Denk hierbij aan:

  1. -

    hoeveel bezichtigingen er zijn geweest,

  2. -

    is er geadverteerd met de woning en hoe vaak,

  3. -

    hoeveel biedingen zijn gedaan en waarom zijn deze afgewezen,

  4. -

    hoe vaak is gereageerd op passende huurwoningen,

  5. -

    hoe vaak is een bod uitgebracht op een goedkopere koopwoning,

  6. -

    is de verkoopprijs gedaald tijdens verkooppogingen,

  7. -

    is er sprake van NHG, dan mogelijkheden bezien of de woning verkocht kan worden.

Als tijdens de nieuwe aanvraag blijkt dat belanghebbende geen of in onvoldoende mate tracht zijn woning te verkopen en andere goedkopere huisvesting te verkrijgen wordt de nieuwe aanvraag afgewezen.

Verhuisplicht

De invulling van de verhuisplicht is als volgt:

Binnen 10 dagen na verzending van het toekenningsbesluit

  1. -

    woning te koop aanbieden via een erkende makelaar tegen een reële prijs

  2. -

    reële prijs is niet hoger dan de WOZ-waarde van de woning

  3. -

    inschrijving bij tenminste 2 woningcorporaties (Actium en Woonconcept)

  4. -

    bij zoektocht naar goedkopere woonruimte niet beperken tot de gemeente De Wolden

Uitzonderingen verhuisplicht

De verhuisplicht wordt niet opgelegd indien er sprake is van een aangepaste woning en verhuizing op problemen stuit. Dit zou ook het geval kunnen zijn indien de bewoners van de woning een zodanig hoge leeftijd hebben bereikt dat verhuizing niet meer verwacht kan worden, denk hierbij aan het wegvallen van sociale contacten, mantelzorg etc. Afweging hiervan is aan de consulent op individuele gronden.

Deze beleidsregels dienen zowel op koop- als op huurwoningen hetzelfde effect te hebben.

Woonkostentoeslag bij recreatiewoningen

Dit geldt echter niet voor recreatiewoningen. Onder de tot 1 januari 2006 geldende Huursubsidiewet moest er sprake zijn van woningen bestemd voor permanente bewoning. Een recreatiewoning is niet bestemd voor permanente bewoning en viel daarmee niet onder de huursubsidiewet. Hoewel er ten aanzien van de huurtoeslag niets is geregeld over recreatiewoningen moet er vanuit worden gegaan dat de wetgever niet de bedoeling heeft gehad hierin iets te veranderen. Bij twijfel of een woning een recreatiewoning is, kan dit worden gecheckt bij de afdeling VROM, cluster Ruimtelijke Ontwikkeling. Zij kunnen in het bestemmingsplan nakijken of een adres een recreatiewoning of een woning voor permanente bewoning betreft.

De huurtoeslag moet worden gezien als een passende en toereikende voorliggende voorziening, die gezien aard en doel toereikend moet worden geacht (art. 15 Participatiewet). Slechts als er sprake is van zeer dringende redenen, kan worden afgeweken van de regel dat geen bijstand wordt verstrekt als er een passende en toereikende voorliggende voorziening aanwezig is (art. 16, lid 1 Participatiewet).

Zeer dringende redenen

Wat moet nu onder zeer dringende redenen worden volstaan? Volgens de jurisprudentie moet het dan gaan om (levensbedreigende) noodsituaties. Het gaat dan om zeer extreme situaties.

Slechts als aan die voorwaarde is voldaan kan worden gesproken van een noodsituatie. In een dergelijke situatie kan bijzondere bijstand, zoals een woonkostentoeslag, worden verstrekt.

Noodsituatie

Als er sprake is van een noodsituatie kan de woonkostentoeslag beperkt worden tot toekenning voor maximaal een halfjaar. Na dit halfjaar wordt in principe de bijstand beëindigd. Als er nog steeds sprake is van een levensbedreigende situatie, dan moet opnieuw een aanvraag worden ingediend.

Kamerbewoners en woonkostentoeslag

Aan kamerbewoners kan in het algemeen geen woonkostentoeslag worden verleend.

Eigen woning/nog geen recht op huurtoeslag

In bepaalde gevallen kan echter een woonkostentoeslag, als bijzondere bijstand, worden verleend, te weten:

  1. 1.

    er bestaat (nog) geen (volledig) recht op huurtoeslag

  2. 2.

    woonkosten eigen woning boven minimale norm huur

Ook in gevallen waarin men geen bijstand ontvangt en waarbij het inkomen van de aanvrager en diens partner (iets) hoger is dan het bijstandsniveau, kan een woonkostentoeslag worden verstrekt. Dit geldt zowel voor huur- als

eigendomswoningen. De ruimte in het inkomen boven het bijstandsniveau dient dan helemaal te worden besteed aan de woonkosten. Het meerdere van de woonkosten kan opgevangen worden met een woonkostenvergoeding.

Woonkostentoeslag en huurwoning.

Voor situaties, waarin (nog) geen huurtoeslag wordt ontvangen, dan wel deze uit een oogpunt van bijstandsverlening ontoereikend moet worden geacht, kan een (tijdelijke) woonkostentoeslag toegekend worden.

Alleen in de hierna weergegeven situaties kan een woonkostentoeslag worden

toegekend.

Als een beroep op bijstand moet worden gedaan, kunnen zich de volgende situaties voordoen:

  1. -

    Er bestaat voor betrokkene nog geen aanspraak op huurtoeslag

    In dat geval kan tijdelijk een woonkostentoeslag worden toegekend ter vervanging van en overbrugging naar huurtoeslag.

  2. -

    Er bestaat wel aanspraak, maar de huurtoeslag is ontoereikend

    In sommige situaties biedt de huurtoeslag niet een voldoende oplossing. Dit kan het geval zijn wanneer na toekenning van de huurtoeslag het inkomen sterk zou dalen. De daling van het inkomen moet worden doorgeven aan de belastingdienst. De belastingdienst maakt dan een herberekening, waardoor recht op een hogere huurtoeslag zou kunnen ontstaan. Ondanks een hogere huurtoeslag kan in zo’n situatie mogelijk recht op een aanvullende woonkostentoeslag bestaan.

Bij verandering in de persoonlijke situatie moet de wijziging worden doorgegeven. Dit kan bijvoorbeeld zijn omdat het inkomen verandert of omdat de huurkosten veranderen. Na elke wijziging die van invloed is op de hoogte van de toeslag wordt een bericht ontvangen met het nieuwe toeslagbedrag.

Als recht bestaat op een huurtoeslag bestaat er over het algemeen ook recht op een zorgtoeslag.

Woonkosten boven de maximaal subsidiabele huur

Bij de verstrekking van een vergoeding voor woonkosten, die meer bedragen dan de maximaal subsidiabele huur, dient in ieder geval rekening te worden gehouden met eventuele draagkracht.

De woonkostentoeslag wordt gedurende een jaar verleend, waarbij zo nodig een verhuisplicht wordt opgelegd. De termijn kan telkens met hoogstens een jaar worden verlengd, wanneer cliënt al het mogelijke heeft gedaan en er desondanks niet in is geslaagd te beschikken over goedkopere huisvesting (er is dan sprake van een uitzonderlijke situatie).

In het algemeen is een bedrag aan woonkosten boven de maximale huurtoeslag-grens niet aanvaardbaar; daarom wordt aan de bijstandsverlening steeds de voorwaarde verbonden dat betrokkene dient om te zien naar goedkopere huisvesting. Als tijdens het heronderzoek blijkt dat cliënt geen of in onvoldoende mate tracht andere huisvesting te verkrijgen, zal betrokkene schriftelijk op de consequenties worden gewezen. Bij verder in gebreke blijven, zal in het algemeen de woonkostentoeslag worden beëindigd.

De woonkostentoeslag fixeren op de maximum huurtoeslag grens om aldus de hiervoor genoemde voorwaarde te omzeilen is niet toegestaan. Dit geldt ook als cliënt bereid zou zijn het meerdere boven de maximale huursubsidiegrens voor zijn rekening te nemen. Kosten boven de maximale huurgrens worden 100% vergoed.

Belangrijk:

Op de woonkosten dienen de kosten in mindering te worden gebracht in verband met:

  1. -

    een tot de woning of wooneenheid behorende garage, parkeer- of bedrijfsruimte;

  2. -

    het gebruik van meubelen of stoffering en de levering van water en gas, elektriciteit en andere energie;

  3. -

    een centrale antenne-installatie;

  4. -

    de levering van warmte.

Tijdelijke woonkostentoeslag en eigen woning.

Door voor de eigenaar-bewoners aan te sluiten bij de bedragen en grenzen van de huurtoeslag, wordt bereikt dat de ontvangers van een Participatiewet -uitkering met een eigen huis dezelfde bedragen voor woonkosten uit hun uitkering moeten voldoen als huurders.

Berekening van de woonkosten bij eigen woning (maandbedragen aanhouden)

a.

rente hypothecaire geldlening (zie hieronder NB 1)

b.

waterschapslasten

c.

onroerende zaakbelasting (eigenaarsdeel) let op: in bepaalde gevallen kan kwijtschelding verkregen worden

d.

brand/opstalverzekering (geen inboedelverzekering)

e.

erfpachtkanon

f.

------------ +

Totale lasten

af: rijkssubsidie woningbouw

woonlasten=rekenhuur

Belangrijk:

Voorlopige teruggaaf in verband met aftrekposten eigen woning.

Vanaf 1 januari 1999 kan iedereen met een eigen woning die hypotheekrente betaalt een voorlopige teruggaaf verkrijgen, die maandelijks door de belastingdienst aan betrokkene wordt betaald. Ook personen met een uitkering op grond van de Participatiewet kunnen hiervoor in aanmerking komen. Deze regeling wordt beschouwd als voorwaarde voor de woonkostentoeslag. Dit betekent dat de woonkostentoeslag nog slechts een aanvullend karakter kan hebben op deze voorlopige teruggaaf. Uiteraard zal bijstelling plaats kunnen vinden, wanneer bij de definitieve teruggaaf bijbetaald moet worden vanwege een te hoog bedrag aan voorlopige teruggaaf. Bij teruggave ingeval van verleende bijstand kan tot terugvordering besloten worden.

N.B. 1:

Aftrek hypotheeklasten

Geen rekening wordt gehouden met de aflossingen en met de premie levensverzekering, die vaak gekoppeld is aan een hypothecaire geldlening.

Het is van belang -vooral bij aanwezigheid van een tweede hypotheek- na te gaan voor welke doeleinden een hypotheek is bestemd.

Blijkt de hypothecaire lening te zijn afgesloten voor andere doeleinden dan de aankoop van een huis, bijv. voor financiering van een auto, caravan, woninginrichting of verbouwing, dan dient op basis van individualisering te worden beoordeeld of in de volledige hypotheeklasten een woonkostentoeslag kan worden toegekend. De hypotheek is dan voor een deel te vergelijken met een consumptief krediet.

N.B. 2:

Nationale hypotheekgarantie uitzoeken

In sommige situaties is er een nationale hypotheekgarantie afgegeven voor de

hypothecaire lening. Deze garantie houdt in, dat het ontbrekende bedrag aangevuld wordt ten behoeve van de hypotheeknemer (= de bank) als uit de opbrengst van de gedwongen verkoop van de woning de hypothecaire schuld niet afgelost kan worden.

Toekenning c.q. verlenging van een woonkostentoeslag of andersoortige bijstand kan er niet toe leiden een gedwongen verkoop te voorkomen c.q. uit te stellen als toekenning c.q. verlenging van die bijstand volgens het hiervoor beschreven bijstandsbeleid niet mogelijk is.

In die gevallen waarin door het gedurende korte tijd verlenen van woonkostentoeslag een gedwongen woningverkoop kan worden voorkomen, dient een beleidsbeslissing te worden getroffen.

N.B. 3:

Hoge woonkosten

Verstrekking van bijstand voor woonkosten komt overeen met huurtoeslag bij

huurwoningen. Ook bij hoge huur krijgt men niet alle kosten via de huurtoeslag vergoed.

Berekeningswijze van de woonkostentoeslag

De woonkostentoeslag wordt gelijk aan de huurtoeslag uitgevoerd.

Toetsingskader woonkostentoeslag

  1. 1.

    In de Participatiewet -norm zit een bedrag begrepen voor woonkosten. Bij hogere woonkosten dan het bedrag dat in de norm is begrepen, kan huurtoeslag worden aangevraagd. Slechts in die situaties waarin nog geen aanspraak op huurtoeslag bestaat of er wel aanspraak bestaat, maar de huurtoeslag ontoereikend is, kan een woonkostentoeslag worden verstrekt.

  2. 2.

    De hoofdregel zoals vermeld onder 1. geldt niet voor recreatiewoningen. Slechts in zeer dringende gevallen (= levensbedreigend) kan voor de duur van een half jaar woonkostentoeslag worden toegekend.

  3. 3.

    De hoofdregel zoals vermeld onder 1. geldt ook niet voor kamerbewoners.

  4. 4.

    Huurwoning:

    1. -

      woonkostentoeslag mogelijk ter vervanging van en ter overbrugging naar huurtoeslag;

    2. -

      woonkostentoeslag mogelijk indien huurtoeslag ontoereikend is;

    3. -

      tijdelijk (= max. 1 jaar) woonkostentoeslag mogelijk indien sprake is van huur boven de maximaal subsidiabele huur, onder de voorwaarde dat wordt omgezien naar goedkopere woonruimte.

  5. 5.

    Eigen woning:

    1. -

      voor woonkostentoeslag wordt aangesloten bij de bedragen en grenzen van de huurtoeslag;

    2. -

      de woonkostentoeslag heeft een aanvullend karakter op de maandelijkse voorlopige teruggaaf in verband met aftrekposten van een eigen woning;

    3. -

      bij de berekening van de woonkostentoeslag wordt geen rekening gehouden met aflossingen en premie levensverzekeringen, noch met hypothecaire leningen ten behoeve van de aanschaf van bijv. auto/caravan/verbouwing.

Artikel 3.5. Geldlening op de eigen woning

Algemeen

Indien een belanghebbende een eigen woning heeft, dient bij de beoordeling van het recht op bijstand bekeken te worden of er een geldlening op de eigen woning gevestigd kan worden. Voor de beoordeling of er een lening gevestigd kan worden wordt verwezen naar de artikelen 34 en 50 van de Participatiewet.

(NB: Uiteraard moet er ook gekeken worden op welk moment de cliënt eigenaar is geworden van de eigen woning. Er kan namelijk sprake zijn van een tekortschietend besef in de verantwoordelijkheid van het bestaan. Wel een woning kopen, maar geld niet gebruiken voor bestaansvoorziening)

Besluit vestiging geldlening op de eigen woning

Bij de beoordeling of een belanghebbende aanspraak kan maken op een

bijstandsuitkering moet de vraag gesteld worden of belanghebbende in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken, dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Ook bij een zelf bewoonde eigen woning/woonschip kunnen dergelijke omstandigheden zich voordoen. Een eigen woning vertegenwoordigt echter, na aftrek van de daarop rustende schulden, een bepaald vermogen. De belanghebbende beschikt dan over middelen die in aanmerking moeten worden genomen. Eigenlijk is er geen aanleiding om bijstand te verlenen. De belanghebbende heeft immers de mogelijkheid om of zijn huis verder te bezwaren of zijn huis te verkopen.

Het eerste is niet altijd realiseerbaar omdat de bank ook naar het inkomen kijkt en bij het verkopen van het huis dient vervangende woonruimte aanwezig te zijn. Bovendien is het in een aantal gevallen niet redelijk dat de zelf bewoonde woning wordt verkocht of verder te gelde wordt gemaakt.

Voor deze situatie is de mogelijkheid ingevoerd om, als verkoop of (verdere) bezwaring niet in redelijkheid kan worden verlangd, de bijstandsuitkering in de vorm van een geldlening te verstrekken. Ook wel geldlening op eigen woning genoemd.

Opnieuw bijstand na geldlening eigen woning

Als binnen 2 jaar na beëindiging van de bijstand onder verband van de geldlening op de eigen woning opnieuw recht bestaat op bijstand wordt deze verstrekt met toepassing van de "oude" geldlening op eigen woning. De 2 jaar termijn waarbinnen wordt afgezien van het opnieuw taxeren van een woning geldt dus niet wanneer, vanwege de geringe overwaarde, in de vorige uitkeringsperiode geen geldlening op de eigen woning is gevestigd.

Vaststelling van de geldlening op de eigen woning

Als de eigenaar/bewoner een aanvraag om bijstand indient, moet bekeken worden of er een geldlening eigen woning gevestigd moet worden. Een aantal criteria is van belang:

  1. -

    de belanghebbende moet eigenaar en bewoner van de woning of het woonschip zijn;

  2. -

    van de belanghebbende kan niet in redelijkheid worden verlangd dat hij de woning verkoopt of (verder) te gelde maakt;

  3. -

    de algemene bijstand moet op jaarbasis naar verwachting meer bedragen dan het nettominimumloon per maand, bedoeld in artikel 37 eerste lid Participatiewet. De kosten van een eventuele taxatie etc. worden ook begrepen in de algemene bijstand, behalve als er uitsluitend bijzondere bijstand wordt aangevraagd;

  4. -

    en het vermogen in de woning moet meer bedragen dan het vrij te laten vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder d, Participatiewet.

  5. -

    alvorens tot toekenning over te gaan, dient de belanghebbende een bereidverklaring tot vestiging geldlening op de iegen woning te ondertekenen

Is er geen ander over vermogen, dan komt de vraag aan de orde of de lening in verband met eigen woning kan worden gevestigd en tot welk maximum bedrag.

Uitgangspunt van de berekening is de taxatiewaarde van de woning bij vrije oplevering. Hierbij wordt uitgegaan van de taxatiewaarde zoals vastgesteld in het kader van de Wet Onroerende Zaakbelasting. Deze gegevens zijn bij de gemeente bekend en worden jaarlijks geactualiseerd.

Op de waarde van het huis moeten in mindering worden gebracht de hypotheekschuld en/of de overige reële schulden die verband houden met het huis en eventueel de contante waarde van de zakelijke rechten, zoals het recht van gebruik en bewoning. Bij een leven- of spaarhypotheek dient op de hypotheekschuld de contante waarde van deze verzekering in mindering te worden gebracht. Deze contante waarde kan worden opgevraagd bij de betreffende bank of verzekeringsmaatschappij.

Vervolgens wordt de extra vrijlating afgetrokken (= vast bedrag volgens artikel 34 lid 2, sub d Participatiewet). Het vermogen in de woning moet los worden gezien van het overige vermogen. Beide onderdelen moeten dus apart worden berekend.

De eventuele bijstand moet worden verstrekt in de vorm van een geldlening. Vestiging van een geldlening op eigen woning is niet meer verplicht. Bij bedragen boven de € 10.000,00 geldt in De Wolden het beleid dat een geldlening op de eigen woning via de notaris wordt gevestigd. Onderstaand een tweetal voorbeelden ter verduidelijking:

Voorbeeld I:

Waarde woning

€ 100.000

Hypotheek

-/- € 50.000

Vermogen in de woning

€ 50.000

Af:vast vrij te laten bedrag art. 34 lid 2 sub d

-/- € 50.100,00

=

Restvermogen

+ € nihil

Voorbeeld II:

Waarde woning

€ 150.000

Hypotheek

-/- € 50.000

Vermogen in de woning

€ 100.000

Af:vast vrij te laten bedrag art. 34 lid 2 sub d

-/- € 50.100,00

=

Restvermogen

+ € 49.900,00

Nu er vermogen overblijft hoger dan € 10.000,00 dient er eengeldlening eigen woning teworden gevestigd (bedragen gebaseerd op 1-1-2016).

Dit laatste betekent niet dat geen rekening wordt gehouden met dit vermogen indien het huis (op een later tijdstip dan bij aanvang van de bijstand) wordt verkocht. Ook kan een hertaxatie plaatsvinden indien de belanghebbende langer dan 2 jaar geen recht op bijstand heeft gehad, er geldt dan immers een nieuwe vermogensvaststelling en geen “herleving” van oud recht.

In de situatie dat een geldlening op de eigen woning gevestigd is en de bijstandsuitkering onafgebroken wordt voortgezet, vindt tussentijds geen hertaxatie plaats, ook niet in de situatie dat er sprake is van een tussentijdse aanzienlijke waardevermeerdering. Een aanzienlijke waardestijging van de woning als gevolg van normale marktontwikkelingen is op zichzelf niet voldoende om tot verhoging van het bijstandskredietplafond over te gaan. Ook met een waardedaling van de woning wordt immers geen rekening gehouden.

Taxatie woonschepen

Voor de taxatie van woonschepen wordt gebruik gemaakt van de daartoe aangewezen taxateur. Bij woonschepen wordt uitgegaan van een taxatie op zicht. Wanneer de hoogte van de taxatie wordt bestreden dan kan na instemming van de belanghebbende worden overgegaan tot een verdere taxatie incl. drooglegging van het woonschip. De kosten van de tweede taxatie worden bij een te vestigengeldlening opgeteld, tenzij de belanghebbende in het gelijk wordt gesteld. Dan worden de kosten van de tweede taxatie om niet verstrekt.

Intussen kan voorlopig bijstand worden toegekend, indien daaraan de verplichting (artikel 55 Participatiewet) wordt verbonden tot medewerking aan de vestiging van een krediethypotheek. Laat de belanghebbende al bij de aanvraag weten geen medewerking te willen verlenen aan het vestigen van een krediethypotheek, dan is bijstand niet mogelijk. Wordt hieraan in een later stadium geen medewerking verleend, dan is de verleende bijstand terstond opeisbaar, wegens het niet nakomen van de bovengenoemde verplichting.

Intering ander vermogen

Is er sprake van over vermogen, dan dient eerst te worden bekeken of er kan worden ingeteerd op ander vermogen (vermogen niet in de woning minus niet op het huis drukkende schulden) dat hoger is dan het bescheiden vermogen.

Kosten vestiging geldlening eigen woning

De kosten van eventuele taxatie, de hypotheekakte, de inschrijving van de lening en de bijkomende kosten komen ten laste van de belanghebbende. Voor deze kosten kan bijstand worden verstrekt, als onderdeel van de in totaal te verstrekken geldlening. Deze kosten worden als bijzondere bijstand aangemerkt.

Als na de taxatie blijkt, dat er niet voldoende overwaarde is om een geldlening te vestigen, wordt voor de gemaakte taxatiekosten bijzondere bijstand ‘om niet’ verleend.

Aflossing, looptijd en beëindiging geldlening eigen woning

De aflossing van de geldlening vindt over maximaal tien jaar plaats. Na beëindiging van de bijstandsuitkering moet de geldlening maandelijks worden terugbetaald. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor de periode van een jaar vastgesteld. Als het inkomen de van toepassing zijnde bijstandsnorm niet overschrijdt, hoeft er niet te worden afgelost. Als de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt de gemeente, zo nodig tussentijds, de aflossing hoger/lager vast. Hierbij wordt onder andere rekening gehouden met de eventuele bijzondere kosten van de belanghebbende.

Als de belanghebbende gedurende de periode van aflossing nalatig is in het maandelijks betalen van de aflossing, wordt het nog niet afgeloste deel van de lening direct opeisbaar en is daarover ook de wettelijke rente verschuldigd. De geldlening is niet rentedragend over de periode waarin bijstand werd genoten. Als na afloop van de tienjarige aflossingsperiode een deel van de geldlening nog niet is afgelost, moet wel de wettelijke rente minus 3% worden betaald over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

Als belanghebbende de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, maar niet kan aflossen, wordt dit bedrag tot ten hoogste de verschuldigde maandrente, aangemerkt als aflossing. De rente die daardoor niet betaald wordt, wordt bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. Over dit bijgeschreven gedeelte van de rente hoeft geen rente te worden betaald.

Verkoop van de woning

Bij verkoop of vererving van de woning wordt het nog niet afgeloste gedeelte van de geldlening en de bijgeschreven rente direct afgelost. Het is in beginsel niet toegestaan om -met overschrijving van de geldlening op de eigen woning– een andere woning te kopen! Het vrijgekomen vermogen moet dan (zonder extra vrijlatingen) worden ingeteerd.

Dit geldt ook in die gevallen dat geen geldlening is gevestigd wegens het ontbreken van over vermogen. Indien de belanghebbende het huis verkoopt, moet de opbrengst volledig worden ingeteerd. De speciale regeling voor vermogen in de door de belanghebbende zelf bewoonde eigen woning is alleen bedoeld om te voorkomen dat men de bij aanvang van de bijstand bewoonde woning moet verkopen en ‘opeten’.

Geldlening eigen woning bijstand en aankoop andere woning

Wegens bijzondere omstandigheden van sociale of medische aard of werkaanvaarding elders, kan de gemeente toestemming geven om een andere woning te kopen, waarbij een nieuwe lening onder verband van een geldlening wordt verleend tot ten hoogste het bedrag van de afgeloste geldlening. Een en ander wel onder voorwaarde dat het vrijgekomen vermogen geheel wordt ingezet voor de aankoop van de andere woning (zo niet, dan moet het meerdere worden ingeteerd). Een voorbeeld van een sociale reden kan zijn onteigening door de gemeente van de eigen woning die de belanghebbende bij aanvang van de bijstand bewoont. Als de woning wordt verkocht tegen een prijs die normaal is in het economisch verkeer en de opbrengst lager is dan het restant bedrag van de geldlening en rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.

Eigendom woning is in handen van belanghebbende én niet-belanghebbende

Het komt soms voor dat de belanghebbende een woning in eigendom heeft en deze eigendom deelt met een persoon die geen belanghebbende is in de zin van de Participatiewet. Een geldlening op de eigen woning kan alleen dan worden gevestigd indien de niet-belanghebbende mee wil werken aan de vestiging ervan. De geldlening dient dan gevestigd te worden voor het vermogensaandeel van de belanghebbende.

Indien de niet-belanghebbende niet wil meewerken aan de vestiging van een

geldlening op de eigen woning dan wordt bijstand ‘om niet’ verstrekt en dienen B. en W., op het moment dat belanghebbende over dit vermogen kan beschikken, een terugvorderingsbesluit te nemen.

Het is raadzaam om in de toekenningsbeschikking mede op te nemen dat er sprake is van:

  1. -

    middelen waarover nog niet kan worden beschikt en dat daarom bijstand wordt verleend;

  2. -

    de verplichting dat belanghebbende de gemeente op de hoogte houdt van het tijdstip waarop de betreffende middelen beschikbaar komen;

  3. -

    terugvordering zodra de middelen ter beschikking (kunnen) komen (deze laatste opmerking is een mededeling en dus geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht).

Afhandelingstermijn

De gemeente dient de aanvraag binnen acht weken af te handelen.

Opgave stand van de geldlening op de woning aan belanghebbende

Na afloop van een kalenderjaar wordt jaarlijks aan belanghebbende opgave gedaan van de stand van de geldlening en de rentevordering. Ook bij de beëindiging van de bijstand wordt een dergelijke opgave verstrekt.

Toetsingskader geldlening op de eigen woning

  1. 1.

    Indien een belanghebbende een eigen woning heeft, dient bij de beoordeling van het recht op bijstand bekeken te worden of er een krediethypotheek gevestigd kan worden. Voor de beoordeling of er een geldlening op de eigen woning gevestigd kan worden wordt verwezen naar de artikelen 34 en 50 van de Participatiewet.

  2. 2.

    Criteria vaststelling van de geldlening op de eigen woning:

    1. -

      verkoop of (verdere) bezwaring kan in redelijkheid niet worden verlangd van de woningeigenaar,

    2. -

      belanghebbende moet eigenaar en bewoner zijn,

    3. -

      de algemene bijstand moet op jaarbasis meer bedragen dan het netto minimumloon per maand,

    4. -

      het vermogen in de woning moet meer bedragen dan het vrij te laten vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder d, Participatiewet en,

    5. -

      tenslotte dient er een bereidverklaring geldlening ondertekend te worden.

  3. 3.

    Bij de berekening van het bedrag van de geldlening wordt voor de waarde van de woning aansluiting gezocht bij de WOZ-waarde.

  4. 4.

    Indien het vermogen in de woning (na aftrek van het vrij te laten vermogen) meer bedraagt dan € 10.000,00 wordt een geldlening op de eigen woning gevestigd. Bedraagt het vermogen in de woning € 10.000,00 of minder dan wordt er een lening gevestigd voor dat bedrag.

  5. 5.

    Gedurende de looptijd van de geldlening vindt geen hertaxatie van de waarde plaats (niet bij waardevermeerdering en ook niet bij waardevermindering).

  6. 6.

    Na beëindiging van de bijstandsuitkering moet de geldlening maandelijks worden terugbetaald. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor de periode van een jaar vastgesteld. Als het inkomen de van toepassing zijnde bijstandsnorm niet overschrijdt, hoeft er niet te worden afgelost. De aflossing van de geldlening vindt over maximaal tien jaar plaats.

  7. 7.

    De kosten van vestiging van de geldlening op de eigen woning komen voor rekening van belanghebbende.

  8. 8.

    Bij verkoop of vererving van de woning wordt het nog niet afgeloste gedeelte van de geldlening en de bijgeschreven rente direct afgelost. Het is in het algemeen niet toegestaan om - met overschrijving van de geldlening – een andere woning te kopen!

  9. 9.

    Is de woning in eigendom van een belanghebbende en een niet belanghebbende, dan dient de niet-belanghebbende in te stemmen met de vestiging van de geldlening. De geldlening op de eigen woning kan slechts gevestigd worden voor het waarde aandeel van de belanghebbende. Stemt de niet-belanghebbende niet in, dan wordt bijstand ‘om niet’ toegekend en volgt terugvordering van de bijstand zodra belanghebbende over het vermogen kan beschikken.

  10. 10.

    Na afloop van ieder kalenderjaar en bij einde van de bijstand volgt een opgave van de stand van de geldlening op de eigen woning (aflossing en rente).

Artikel 3.6. Buitengewone verweringskosten en reiskosten

Buitengewone verwervingskosten

Buitengewone verwervingskosten zijn kosten die in het individuele geval

noodzakelijkerwijs moeten worden gemaakt om de betreffende inkomsten te kunnen verwerven. Het moet gaan om werkelijk gemaakte, aantoonbare onkosten, zoals reiskosten woon-werkverkeer. Met reiskosten woon-werkverkeer wordt alleen rekening gehouden indien het afstanden betreft van meer dan 10 km enkele reis. In dat geval worden alle kosten vergoed (voor zover daarin niet via een voorliggende voorziening wordt voorzien, bijvoorbeeld via de werkgever of een re-integratietraject).

Draagkracht

Voor inkomsten boven het voor de belanghebbende geldende bijstandsniveau gelden de draagkrachtregels van pag. 4 en 5.

Voorliggende voorzieningen

Als voor buitengewone verwervingskosten bijzondere bijstand wordt gegeven vindt in het algemeen geen belastingteruggave plaats omdat de belastingdienst uitgaat van de werkelijk door de belastingplichtige gedragen kosten. Als er bijzondere bijstand wordt verleend, worden geen kosten gedragen. Aan de verlening van bijstand wegens buitengewone verwervingskosten wordt dus niet de voorwaarde tot het vragen van belastingteruggave of -vermindering (de voorlopige teruggaaf) verbonden.

Reële vergoedingen van de werkgever voor buitengewone verwervingskosten worden niet tot het inkomen gerekend (art. 31, lid 2 sub f Participatiewet).

Zodra er voor dezelfde kosten bijzondere bijstand wordt verstrekt, dient de gemeente vanzelfsprekend bij de vaststelling van hoogte van de bijzondere bijstand rekening te houden met de ontvangen vergoedingen of tegemoetkomingen.

Een reële vergoeding van de werkgever moet op de loonspecificatie als zodanig vermeld staan.

Vergoeding reiskosten

De vergoedingen welke kunnen worden toegekend in verband met noodzakelijke reiskosten woon-werkverkeer, bezoek ziekenhuis, huis van bewaring, gerechtelijke procedures enz. bedragen:

  1. -

    bij reiskosten op basis van openbaar vervoer, de werkelijke gemaakte kosten

  2. -

    bij reiskosten met de auto het maximaal belastingvrije toegestane tarief van de belastingdienst, thans € 0,19 per kilometer.

Toetsingskader buitengewone verwervingskosten en reiskosten

  1. 1.

    Het inkomen en/of uitkering van de aanvrager moet gelijk zijn aan of lager dan 110% van het geldende sociaal minimum en het vermogen moet beneden de toepasselijke vermogensgrens liggen.

  2. 2.

    Het moet altijd gaan om kosten die noodzakelijkerwijs moeten worden gemaakt en aantoonbaar gemaakt zijn

  3. 3.

    Met reiskosten woon-werkverkeer wordt alleen rekening gehouden als het gaat om een afstand van meer dan 10 km enkele reis.

  4. 4.

    Bij de vaststelling van de bijstand wordt rekening gehouden met voorliggende voorzieningen (zoals bijvoorbeeld door werkgever ontvangen vergoeding of tegemoetkoming).

  5. 5.

    Reiskosten openbaar vervoer: werkelijk gemaakte kosten Reiskosten eigen auto: € 0,19 per kilometer

Artikel 3.7. Legeskosten verblijfsvergunning

Hoofdlijnen Vreemdelingenwet 2000 (Vw):

In deze wet worden in totaal 4 soorten verblijfsvergunningen onderscheiden:

Verblijfsvergunning asiel

  1. -

    Verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel (art. 28 t/m 32 Vw)

  2. -

    Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd asiel (art. 33 t/m 35 Vw)

De verblijfsvergunninghouders asiel kunnen aanspraak maken op een uitkering op grond van de Participatiewet. Zij worden op grond van artikel 11 lid 2 Participatiewet gelijk gesteld met een Nederlander (zie ook BRP-codes met verklaring in tekst en toelichting Eiselin of in het handboek van Stimulansz).

In principe hebben zij ook de arbeidsverplichting. De verblijfsvergunninghouder voor bepaalde tijd moet een tewerkstellingsvergunning hebben. Daarnaast moeten asielzoekers die nieuw in Nederland zijn toegelaten eerst een inburgeringsprogramma volgen. Wanneer een vreemdeling na een periode van drie jaar nog steeds bescherming in Nederland nodig heeft, kan de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd krijgen.

Legeskosten:

Voor een vergunning op grond van asiel voor bepaalde tijd zijn geen legeskosten verschuldigd.

Verblijfsvergunning regulier

  1. 1.

    Verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier (art. 14 t/m 19 Vw)

  2. 2.

    Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier (art. 20 t/m 22 Vw

Vreemdelingen die op andere grond dan asiel (o.a. in verband met stage, studie, arbeid, au-pair of gezinshereniging) zijn toegelaten kunnen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier. Aan deze verblijfsvergunning zijn voorwaarden en beperkingen verbonden. Een van de voorwaarden is dat de vreemdeling voldoende middelen van bestaan moet hebben. Bij gebrek aan eigen middelen kunnen deze vreemdelingen aanspraak maken op bijstand. Dit kan echter wel gevolgen hebben voor het verblijfsrecht waaronder beëindiging van het verblijf in Nederland. Het college moet zodra er een beroep wordt gedaan op publieke middelen hiervan melding doen aan de IND en de vreemdeling op de hoogte brengen van de mogelijke gevolgen van het beroep op publieke middelen.

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier kan na vijf jaar worden omgezet in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier.

Legeskosten:

Voor een reguliere verblijfsvergunning moet betaald worden.

Hoofdregel

Voor een vergunning regulier is het uitgangspunt dat geen bijstand mogelijk is (eigen vrije wil, geen noodzakelijkheid).

Uitzonderingen:

  1. -

    Voor de ex-AMA die niet erkend is als vluchteling maar wel in Nederland mag verblijven op grond van een reguliere status. De reden hiervan is dat zij vaak (nog) niet terug kunnen naar het land van herkomst. Hun verblijf kan daarom ook niet gelijk gesteld worden met mensen die hier wel vrijwillig verblijven.

  2. -

    Voor kinderen van ouders met een asielvergunning of van ex-AMA met een reguliere verblijfsvergunning (zie punt 1).

  3. -

    Voor nieuwkomers die hun vergunning regulier bepaalde tijd moeten verlengen. De reden hiervan is dat het gaat om voormalige asielzoekers, die nog een inkomen hebben op bijstandsniveau. Men kan niet kiezen voor een ander, goedkoper document. De kosten zijn zodanig dat niet verwacht kan worden dat deze uit het inkomen op bijstandsniveau worden voldaan.

Hoogte bijzondere bijstand:

De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan het verschil van de kosten voor een identiteitskaart en de kosten van het verlengen en/of wijzigen van de

verblijfsvergunning. Voor bedragen wordt verwezen naar de gemeentewinkel of afdeling burgerzaken.

Voor verdere informatie zie: www.ind.nl

Toetsingskader legeskosten verblijfsvergunning

  1. 1.

    Voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zijn geen legeskosten verschuldigd.

  2. 2.

    Voor een verblijfsvergunning regulier moet betaald worden. Er wordt in beginsel geen bijstand verstrekt voor de legeskosten. Uitzonderingen hierop zijn:

    1. -

      de ex-AMA die niet erkend is als vluchtelingen maar wel in Nederland mag verblijven op grond van een verblijfsvergunning regulier,

    2. -

      kinderen van ouders met een verblijfsvergunning asiel

    3. -

      nieuwkomers die hun vergunning regulier bepaalde tijd moeten verlengen.

  3. 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan het verschil van de kosten voor een identiteitskaart en de kosten van het verlengen en/of wijzigen van de verblijfsvergunning.

Artikel 3.8. Maaltijdvoorziening

Algemeen

De kosten van maaltijdvoorziening behoren in principe tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waarvoor geen bijzondere bijstand kan worden verstrekt. Voor ouderen en hulpbehoevenden kan hierop een uitzondering worden gemaakt, indien zij aangewezen zijn op instanties die maaltijden verzorgen. Hierbij moet worden gedacht aan een situatie waarin een belanghebbende tijdelijk of permanent niet meer in staat is zijn eigen maaltijden te koken.

Hoofdregel

Bijzondere bijstand voor een warme maaltijd van een van de officiële maaltijd

leveranciers is mogelijk indien mensen niet meer in staat zijn zelf hun maaltijden te bereiden en de kosten hiervan niet uit het inkomen kunnen bestrijden. Bij een toekenning van bijzondere bijstand kunnen alleen de meerkosten worden vergoed met als uitgangspunt de feitelijk gemaakte kosten. Maaltijden die op een andere wijze worden betrokken dan via de officiële maaltijdleveranciers komen niet voor vergoeding in aanmerking. Er kunnen max. 7 maaltijden per week worden verstrekt.

Procedure

Het aanvragen van (bijzondere) bijstand voor maaltijdvoorzieningen geschiedt via de normale weg, namelijk door het invullen van een (verkort) aanvraagformulier.

Voorwaarde voor bijstandsverlening is dat er sprake moet zijn van een indicatie (noodzakelijkheid van de maaltijdvoorziening op grond van een medische of sociale indicatie). De indicatie wordt beoordeeld door de consulent. De indicatie kan ook door de Zenit-arts worden vastgesteld, indien de consulent twijfels heeft over de indicatie die de belanghebbende aangeeft. In de praktijk zal het echter in de meeste gevallen niet noodzakelijk zijn om een uitgebreid onderzoek in te stellen.

Uitgangspunt voor de kosten van de maaltijd zijn de feitelijk gemaakte kosten onder aftrek van € 3,25 (fiscale norm warme maaltijd per 1-1-2016) per maaltijd.

Draagkracht

Voor de berekening van de bijzondere bijstand gelden de normale draagkrachtregels, zoals opgenomen in paragraaf 1.3.

Toetsingskader bijzondere bijstand maaltijdvoorziening

  1. 1.

    Het inkomen en/of uitkering van de aanvrager moet gelijk zijn aan of lager dan 110% van het geldende sociaal minimum en het vermogen moet beneden de toepasselijke vermogensgrens liggen.

  2. 2.

    De kosten van maaltijdvoorziening behoren in principe tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waarvoor geen bijzondere bijstand kan worden verstrekt.

  3. 3.

    Op de hoofdregel zoals vermeld onder 1. kan een uitzondering worden gemaakt voor ouderen en hulpbehoevenden indien zij aangewezen zijn op instanties die maaltijden verzorgen.

  4. 4.

    Bij een toekenning van bijzondere bijstand kunnen alleen de meerkosten worden vergoed. Dit zijn de feitelijk gemaakte kosten onder aftrek van de € 3,25 per maaltijd (fiscale norm warme maaltijd per 1-1-2016)

  5. 5.

    Maaltijden die op een andere wijze worden betrokken dan via de officiële maaltijdleveranciers komen niet voor vergoeding in aanmerking.

  6. 6.

    Er kunnen maximaal 7 maaltijden per week worden verstrekt.

Artikel 3.9. Bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand en juridisch loket

Als u een juridische vraag of probleem hebt, kunt u voor informatie en/of verwijzing naar de juiste instantie of kortdurend juridisch advies terecht bij het Juridisch Loket(via internet www.hetjl.nl of www.juridischloket.nl of telefonisch via 0900-8020). Het Juridisch Loket geeft gratis advies en/of informatie.

Wanneer het Juridisch Loket aangeeft dat u gebruik moet maken van een advocaat (een soort van noodzakelijkheidsverklaring) worden de kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand verlaagd met € 53,00 (korting per 1-1-2016). De advocaat is dan dus goedkoper dan wanneer men zonder Juridisch Loket gebruik maakt van een advocaat.

In het kader van bijzondere bijstandsverlening voor eigen bijdrages rechtsbijstand wordt met deze verwijzing en daarmee de korting van € 53,00 rekening gehouden. Wij gaan er van uit dat u zich via het Juridisch Loket laat verwijzen naar een advocaat. Alleen het lagere bedrag aan bijzondere bijstand wordt vergoed.

Toetsingskader bijzondere bijstand kosten rechtsbijstand

  1. 1.

    Het inkomen en/of uitkering van de aanvrager moet gelijk zijn aan of lager dan 110% van het geldende sociaal minimum en het vermogen moet beneden de toepasselijke vermogensgrens liggen.

  2. 2.

    Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand.

  3. 3.

    Wij gaan er van uit dat belanghebbende zich via het Juridisch Loket laat verwijzen naar een advocaat. Deze verwijzing levert een korting op van € 53,00. Met deze korting houdt het college ten allen tijde rekening bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand.

Artikel 3.10. Ingangsdatum wijziging norm na opname en/of bijzondere bijstand voor de vaste lasten

Na opname in een inrichting/instelling wordt de norm gewijzigd naar de norm voor verblijf in een inrichting met ingang van de 1e van de maand nadat belanghebbende een volle maand opgenomen is geweest.

Het betreft hier over het algemeen een situatie van tijdelijk buiten de gemeente verblijven.

De situatie kan zich voordoen dat een alleenstaande ouder tezamen met zijn of haar minderjarige kinderen in de inrichting verblijft. In dergelijke gevallen zijn de kosten die de alleenstaande ouder voor het kind moet maken, meestal zodanig dat kinderbijslag en/of kindgebonden budget een toereikende vergoeding bieden. Het normbedrag voor een alleenstaande (art. 23 Participatiewet) is volgens de wetgever toereikend.

Bij een echtpaar wijzigt de norm voor degene die is opgenomen in de norm zak- en kleedgeld en voor de achterblijvende partner in de norm alleenstaande.

Bij het verlaten van de inrichting wordt de norm weer gewijzigd naar een zelfstandig wonende met ingang van de dag van ontslag.

In bijzondere situaties kan bijstandsverlening aan de orde zijn voor doorbetaling van de vaste lasten verbonden aan de woning en in uitzonderlijke situaties eventueel premie zorgverzekering (maatwerk, zie toelichting van artikel 13,15 en 18 Participatiewet en geldende jurisprudentie).

Toetsingskader bijstand en bijzondere bijstand ingeval van opname

  1. 1.

    Wijziging naar de norm voor verblijf in een inrichting vindt plaats met ingang van de 1e van de maand nadat belanghebbende een volle maand opgenomen is geweest.

  2. 2.

    Verblijft een alleenstaande ouder tezamen met zijn of haar kinderen in een inrichting dan wordt volstaan met het normbedrag voor een alleenstaande (artikel 23 Participatiewet).

  3. 3.

    Verblijft een partner van een echtpaar in een inrichting dan wijzigt de norm voor degene die is opgenomen in de norm voor verblijf in een inrichting en voor de achterblijvende partner in de norm van een alleenstaande.

  4. 4.

    Bij het verlaten van de inrichting wijzigt de norm weer naar een zelfstandig wonende met ingang van de dag van ontslag uit de inrichting.

  5. 5.

    In bijzondere situaties kan bijzondere bijstand worden toegekend voor de doorbetaling van de vaste lasten van de woning en eventueel de premie zorgverzekering.

Artikel 3.11. Vermogensbepalingen

Algemeen

Het juridische kader van de vermogensbepalingen is met name bepaald in artikel 34 van de Participatiewet. Uitgangspunt ten aanzien van verificatie van vermogen is dat zoveel mogelijk originele bewijsstukken worden gevraagd. In het onderstaande wordt het beleid beschreven ten aanzien van de hierna aangeduide onderwerpen, waarbij vooral de waardebepaling en interpretatie van de wet een rol spelen ten aanzien van de vermogensvaststelling:

  1. 1.

    Vermogen en auto of motor

  2. 2.

    Vermogen en (antieke) (roerende) goederen of bezittingen

  3. 3.

    Vermogen en inkomen in natura

  4. 4.

    Vermogen en schenkingen

  5. 5.

    Vermogen en immateriële schadevergoeding

  6. 6.

    Vermogen en de staffelmethode

  7. 7.

    Vermogen en studieschulden

  8. 8.

    Vermogen en wijziging gezinssamenstelling

  9. 9.

    Vermogen en wijze van intering

  10. 10.

    Vermogen en reservering uitvaartkosten

  11. 11.

    Vermogen en pensioenreservering/oudedagsvoorziening

1. Vermogen en auto of motor

De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld naar de waarde in het economische verkeer.

De auto als bezitting wordt als algemeen gebruikelijk beoordeeld, onafhankelijk van het doel waarvoor de auto ooit is aangeschaft. Van belanghebbende kan niet worden gevergd dat hij de waarde van de auto of motor te gelde maakt. Wel is de waarde van de auto of motor van belang bij de vermogensvaststelling indien deze een bepaalde waarde vertegenwoordigt. In de gemeente De Wolden wordt de waarde van auto’s en/of motoren tot een bedrag van € 7.000,00 niet als vermogen aangemerkt. Indien de waarde van de auto of motor hierboven uitstijgt wordt de meerwaarde wel tot het vermogen gerekend. Denk hierbij aan het hebben van meerdere motoren en auto’s in een gezin.

Voor de bepaling van de waarde van de auto dient bij de aanvang van de

bijstandsverlening te worden uitgegaan van de inkoopwaarde, zoals deze per kwartaal wordt vastgesteld door de ANWB/Bovag koerslijst. Het is ook een optie om via www.anwb.nl de waarde vast te stellen. Hierbij is een lidmaatschapsnummer vereist en via anwb.nl zijn auto’s met een bouwjaar voor 1996 niet te raadplegen. Voor de bepaling van de waarde van de motor kan ook contact worden opgenomen met ProMotor Advieslijn (070-3145075).

2. Vermogen en (antieke) (roerende) goederen of bezittingen

De waarde van bezittingen zoals kunstvoorwerpen, sieraden en antieke klokken wordt vastgesteld naar de waarde in het economische verkeer. In bijzondere gevallen waarbij de waarde niet goed kan worden vastgesteld, kan de waarde getaxeerd worden door een erkende taxateur. De taxatiekosten zijn dan voor de gemeente indien zij twijfelt aan de opgave van de belanghebbende.

Het college hanteert het volgende beleid:

  1. -

    antiek, kunst en sieraden behoren tot een bedrag van € 7.000,00 niet tot het vermogen,

  2. -

    indien zeer aannemelijk is dat deze goederen een emotionele waarde hebben, dan wordt de “vrijstelling” van het vermogen tot € 12.000,00 verhoogd.

3. Vermogen en inkomen in natura

Indien inkomen in natura van de Participatiewet -er (en gezinsleden) in aanmerking wordt genomen, dan wordt de waarde daarvan vastgesteld op het daarvoor door belanghebbende opgeofferde bedrag (artikel 33, lid 1 Participatiewet). Het college betrekt derhalve de inkomsten in natura slechts in de beoordeling voor zover deze inkomsten leiden tot lagere bestaanskosten. Voor het bepalen van de waarde van het inkomen in natura kan worden uitgegaan van de richtprijzen zoals deze staan vermeld in de Prijzengids van het Nibud.

4. Vermogen en schenkingen

In artikel 31 Participatiewet, is geregeld dat giften niet worden meegerekend bij de vaststelling van de middelen, voor zover dit uit oogpunt van bijstands- of de inkomensvoorzieningsverlening verantwoord is. Het college heeft dus een bepaalde beleidsvrijheid, waarvoor de volgende regels worden gesteld:

  1. -

    Giften met een periodiek karakter worden als inkomen beschouwd en derhalve niet vrijgelaten.

  2. -

    Giften met een eenmalig karakter en niet meer dan 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm op jaarbasis worden vrijgelaten. Onder eenmalig wordt verstaan eenmaal voorkomend in de 24 maanden.

Voor zover de eenmalige gift hoger is dan de genoemde vrijlating van 5% van de toepasselijke norm, wordt dat deel als vermogen aangemerkt en wordt dit derhalve niet vrijgelaten. Dit deel van de gift moet dan worden opgeteld bij het vastgestelde vermogen. Afhankelijk van de uitkomst moet er dan gehandeld worden. Dat kan betekenen dat er ingeteerd moet worden. Dit is echter niet aan de orde wanneer het beneden het vrij te laten vermogen blijft.

Indien de bestemming van de gift betrekking heeft op kosten die in de algemene bijstand zijn begrepen, wordt de gift volledig in aanmerking genomen.

5. Vermogen en immateriële schadevergoeding

In artikel 31 lid 2 onder m Participatiewet, is vastgelegd dat niet als vermogen wordt aangemerkt een uitkering in verband met geleden immateriële schade, ook wel smartengeld genoemd. Hierbij geldt als criterium de aard en doel van het smartengeld. In deze gemeente wordt een bedrag tot € 12.000,00 niet tot het vermogen gerekend.

Indien daartoe in een individueel geval aanleiding bestaat, kan eventueel een hoger bedrag worden vrijgelaten, afhankelijk van geldende jurisprudentie en hetgeen als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd.

Deze restrictie is ingegeven door het feit dat de laatste jaren sneller tot

schadevergoeding wordt overgegaan en dat de toegekende bedragen hoger worden.

Door de Centrale Raad van Beroep is vastgesteld dat het moment van uitbetaling van de schadevergoeding bepalend is voor de vraag op welke periode de schadevergoeding betrekking heeft. Deze kan derhalve niet aan een voorliggende periode worden toegerekend en kan niet leiden tot intrekking met terugwerkende kracht. Na toekenning boven de grens van € 12.000,00 zal derhalve een periode van intering het gevolg zijn.

6. Vermogen en de staffelmethode

Het vermogen wordt slechts bij aanvang van de bijstand vastgesteld. In artikel 34 Participatiewet zijn de vermogensgrenzen vastgelegd. De grenzen gelden uiteraard bij de vaststelling van het vermogen bij de eerste toekenning van een bijstandsuitkering. Volgens de Memorie van Toelichting op de Participatiewet kunnen nieuwe vermogensgrenzen worden gehanteerd op het moment dat er een vermogensaanwas is en derhalve moet worden beoordeeld in hoeverre het vermogen niet uitstijgt boven het vrij te laten vermogen zoals in artikel 34 lid 3 Participatiewet genoemd op het moment van die vermogensaanwas. Het betekent dat met een eventuele vermogensafname wel degelijk rekening moet worden gehouden.

Bij een negatief of op nihil vastgesteld aanvangsvermogen valt het begrip “vermogensruimte”, het bedrag waarmee het vermogen kan toenemen zonder dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van de bijstand, samen met het begrip vermogensgrens in artikel 34 lid 3 Participatiewet. De resterende vermogensruimte kan nooit groter zijn dan de toepasselijke vermogensgrens van artikel 34 Participatiewet. Dat betekent dat het hebben van een negatief aanvangsvermogen de resterende vermogensruimte niet vergroot. Tijdens een ononderbroken bijstandsperiode kan bij een tussentijdse toename van het vermogen, na een eerdere positieve vermogensvaststelling, slechts het verschil tussen het eerder vastgestelde vermogen en de in acht te nemen vermogensgrens worden vrijgelaten.

7. Vermogen en studieschulden

Met schulden in het kader van de Wet op de studiefinanciering wordt bij de beoordeling van de vermogenspositie van de (ex-)student geen rekening gehouden, omdat niet vaststaat of aan de studieschuld daadwerkelijk een verplichting tot terugbetaling is verbonden. De verplichting tot aflossing is gedurende de zogeheten aflosfase (15 jaar of 30 jaar) namelijk afhankelijk van de aanwezige draagkracht, waarbij nihil stelling mogelijk is, en gaat na de aflosfase in elk geval teniet (zie uitspraak CRvB 2-5-2000, JABW 2000/106, LJN: ZB8767).

Studieschulden aan ouders worden niet in mindering gebracht op het vermogen. Tot de 21-jarige leeftijd van hun kind voldoen ouders rechtstreeks aan de onderhoudsplicht ex artikel 1:395a BW.

Boven de 21-jarige leeftijd is er hooguit sprake van een natuurlijke, dus rechtens niet afdwingbare verbintenis voor het kind tot terugbetaling.

8. Vermogen en wijziging gezinssamenstelling

Bij een wisseling van de gezinssamenstelling gelden de nieuwe vermogensgrenzen ingevolge artikel 34 lid 3, sub a, b of c van de Participatiewet. De gemeente zal naar billijkheid moeten vaststellen wanneer de nieuwe vermogensgrens geldt en hoe deze tot stand komt. Hierbij kan worden gedacht aan de volgende situaties:

  1. -

    een echtpaar gaat uiteen, waardoor beiden een alleenstaande norm krijgen. Het resterende vermogensbedrag wordt ieder voor de helft aan hen beiden toegerekend, voor zover niet anders wettelijk bepaald.

  2. -

    Indien twee belanghebbenden gaan samenwonen worden de vermogensbedragen bij elkaar opgeteld.

  3. -

    Als bij een alleenstaande ouder het laatste ten laste komende kind vertrekt, dient het vermogen van de alleenstaande opnieuw te worden vastgesteld.

Het vermogen wordt dus opnieuw vastgesteld op het moment dat de wijziging in de gezinssituatie zich voordoet.

Het college geeft in alle gevallen waarin de vrijlating grens ingevolge artikel 34 Participatiewet wijzigt (als gevolg van een wisseling van de gezinssamenstelling), een nieuwe beschikking af met daarin de nieuwe vermogensgrenzen en de nog resterende vrijlating.

9. Vermogen en intering vermogen

Indien een belanghebbende een vermogen heeft dat uitstijgt boven de voor hem toepasselijke vermogensgrens, dan dient de belanghebbende eerst in te teren op dit vermogen.

Als regel wordt hierbij een interingsbedrag volgens jurisprudentie gehanteerd. gehanteerd. Hierbij houden we rekening met inkomsten en bijzondere noodzakelijke uitgaven. Dit is het maximale bedrag. Indien belanghebbende sneller inteert en daardoor vroegtijdig een beroep moet doen op de bijstand, beoordeelt het college of er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de kosten van het bestaan. Het opleggen van den maatregel ingevolge artikel 18 Participatiewet en de Maatregelenverordening kan dan aan de orde zijn.

10. Vermogen en reservering uitvaartkosten

In het verleden kwam het nogal eens voor dat ouderen een vermogen hadden gespaard teneinde de begrafeniskosten te kunnen dekken, wegens onderverzekering voor de uitvaart.

Bij de berekening van de draagkracht wordt in de meeste gevallen het vermogen dat beneden de van toepassing zijnde vermogensgrenzen ingevolge artikel 34 Participatiewet blijft buiten beschouwing gelaten. Er is geen aparte vrijstelling meer op deze vermogensvrijlating ten behoeve van reservering uitvaartkosten. Slechts in individuele en zeer bijzondere omstandigheden kan hiervan worden afgeweken.

Toetsingskader vermogen

Soorten kosten en vrijstelling:

  1. 1.

    Waarde van auto en motor (obv koerslijst ANWB) vrijlaten tot € 7.000,00

  2. 2.

    Antiek, kunst en sieraden vrijlaten tot een bedrag van € 7.000,00

  3. 3.

    Antiek, kunst en sieraden met emotionele waarde vrijlaten tot € 12.000,00

  4. 4.

    Immateriële schadevergoeding wordt vrijgelaten tot € 12.000,00

  5. 5.

    Giften met een eenmalig karakter (eens in de 24 maanden) vrijlaten tot 5% norm/jr

  6. 6.

    Er is geen aparte vrijstelling meer op deze vermogensvrijlating ten behoeve van reservering uitvaartkosten.

Overige vermogensbepalingen:

  1. 1.

    Inkomsten in natura worden meegenomen in de beoordeling voor zover deze inkomsten leiden tot lagere bestaanskosten. Voor het bepalen van de waarde van het inkomen in natura wordt uitgegaan van de richtprijzen zoals deze staan vermeld in de Prijzengids van het Nibud.

  2. 2.

    Het vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de bijstand. Er kunnen nieuwe vermogensgrenzen worden gehanteerd op het moment dat er een vermogensaanwas is.

  3. 3.

    Bij de vaststelling van het vermogen wordt geen rekening gehouden met studieschulden.

  4. 4.

    Bij wisseling van de gezinssituatie gelden nieuwe vermogensgrenzen en wordt het vermogen opnieuw vastgesteld,

  5. 5.

    Indien een belanghebbende een vermogen heeft dat uitstijgt boven de voor hem toepasselijke vermogensgrens, dan dient de belanghebbende eerst in te teren op dit vermogen.

Hoofdstuk 4. Afsluiting

Artikel 4.1. Onvoorziene omstandigheden

In gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien beslist het college.

Artikel 4.2. Inwerkingtreding en citeertitel

Deze beleidsregels treden in werking na publicatie en werken terug tot en met 1 januari 2017 en worden aangehaald als “Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid 2017”. Per deze datum worden de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid 2016 ingetrokken.

Sluiting

Aldus besloten en vastgesteld in de vergadering van 22 september 2017

secretaris, burgemeester,

T.N. Kramer R.T. de Groot