Regeling ongewenst gedrag

Regeling ongewenst gedrag

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente De Wolden
Officiële naam regelingRegeling ongewenst gedrag
CiteertitelRegeling ongewenst gedrag
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerppersoneel en organisatie

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. bronvermelding
  2. bronvermelding

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
10-03-2009 n.v.t. Nieuwe regeling 10-03-2009 De Wolder Courant 10-03-2009

Tekst van de regeling

Hoofdstuk 1. Inleiding

Om ongewenst gedrag in de organisatie tegen te gaan is het belangrijk om te weten wat er onder wordt verstaan.

Het gaat hierbij om omgangsvormen die niet gewenst zijn in de interactie tussen me-dewerkers van de gemeente De Wolden. Onder ongewenst gedrag wordt verstaan: on-gewenste opmerkingen, gedragingen, pesterijen en/of e-mail. Dit kan betrekking hebben op sekse, ras, leeftijd, godsdienst en/of seksuele geaardheid. Respect voor de grenzen van een ander is voor de meeste mensen een normale omgangsvorm. Helaas gaat er af en toe wat mis waardoor deze grenzen overschreden worden. Belangrijk is dat een medewerker hier niet mee blijft rondlopen maar ergens met zijn klacht terecht kan.

In de algemene wetgeving zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot (de aanpak van) ongewenst gedrag binnen de organisatie, nl:

• Arbeidsomstandighedenwet;

• Algemene Wet Bestuursrecht;

• Wetgeving gelijke behandeling.

Arbeidsomstandighedenwet

Per 1 januari 2007 geldt de gewijzigde Arbeidsomstandighedenwet. In artikel 3 staat dat de werkgever zorgt voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers en een beleid voert gericht op het voorkomen, en indien dat niet mogelijk is, beperken van psychosociale arbeidsbelasting. De term ‘psychosociale arbeidsbelasting’ is een nieuw begrip dat in de wet is gedefinieerd als: “de factoren seksuele intimidatie, agressie en geweld, pesten en werkdruk in de arbeidssituatie die stress teweeg brengen”. De be-gripsbepaling ongewenst gedrag in de bijgaande regeling verwijst naar de omschrijving in de Arbeidsomstandigheden- wet.

Algemene wet bestuursrecht

De verantwoordelijkheid van de werkgever komt ook tot uitdrukking in de Algemene wet bestuursrecht waarin bepaald is dat een gedraging van een persoon werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan wordt aangemerkt als een gedraging van dat bestuursorgaan (artikel 9:1, lid 2).

De procedure van de Klachtencommissie ongewenst gedrag is deels gebaseerd op hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) over klachtbehandeling door een bestuursorgaan. Het gaat in de Awb in de eerste plaats om klachten van burgers, maar het kan ook gaan om klachten van ambtenaren tegen het bestuursorgaan als werkgever, zoals een klacht over ongewenst gedrag. De Awb bevat minimumeisen voor behoorlijke klachtafhandeling. Op grond van de Awb is het bevoegd gezag verantwoordelijk voor de afdoening van de klacht. Het kan daarbij gebruikmaken van een adviesinstantie, zoals de landelijke Klachtencommissie ongewenst gedrag. Deze commissie geeft een advies op basis waarvan een college de klacht afhandelt. Het advies van de commissie maakt deel uit van de interne klachtprocedure. De Awb regelt ook het recht van een klager om zich na interne behandeling van een klacht tot een externe adviesinstantie te wenden.

Wetgeving gelijke behandeling

Het wettelijk kader met betrekking tot (seksuele) intimidatie wordt mede gevormd door de Algemene wet gelijke behandeling en de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen. In de gewijzigde Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen is opgenomen dat het verbod op direct onderscheid tussen mannen en vrouwen ook het verbod op (seksuele) intimidatie omvat.

De wetswijziging maakt het noodzakelijk voor werkgevers om maatregelen ter voorkoming van (seksuele) intimidatie te nemen en adequaat te reageren op signalen van (seksuele) intimidatie. Zulke maatregelen zijn onder meer het instellen van een vertrouwenspersoon en een klachtenprocedure.

Met het opnemen van het verbod op (seksuele) intimidatie in de wetgeving gelijke be-handeling is de bewijslast verschoven. Dat betekent dat degene die meent geïntimideerd te zijn (slechts) feiten moet aandragen waaruit een vermoeden van (seksuele) intimidatie voortvloeit. Indien de werkgever het daar niet mee eens is moet hij aantonen dat er géén sprake was van (seksuele) intimidatie of bewijzen dat de ongewenste situatie tijdig en adequaat is gecorrigeerd.

Hoofdstuk 2. Aanpak ongewenst gedrag

Gemeente De Wolden wil voor haar medewerkers een prettig en veilig werkklimaat. Daarom wordt door middel van deze regeling aan medewerkers de mogelijkheid geboden om ongewenst gedrag waarmee zij worden geconfronteerd aan de orde te stellen.

Dat kan via een interne meldingsprocedure of wanneer dit geen of een onvoldoende oplossing biedt kan gebruik gemaakt worden van de klachtenprocedure bij de externe klachtencommissie.

Hoofdstuk 3. Meldingsprocedure

Op het moment dat een medewerker geconfronteerd is met ongewenst gedrag kan hij kiezen om dit te melden bij één van de aanspreekpunten.

Hij kan hiervoor terecht bij:

- de leidinggevende;

- de secretaris-directeur

- de adjunct-directeur;

- de personeelsconsulent

Aanspreekpunten kunnen het volgende doen:

a. het (ver)lenen van een luisterend oor en eerste ondersteuning aan de klager;

b. contact onderhouden met de klager om te bewaken dat de melding niet leidt tot ongewenste consequenties voor de klager;

c. het geven van advies aan de klager;

d. het fungeren als bemiddelaar dan wel het zorgen voor bemiddeling om zodoende pro-blemen tussen klager en aangeklaagde op te lossen;

e. het inschakelen van mediation (via bedrijfszorgplan);

f. doorverwijzen naar de vertrouwenspersoon.

Daarnaast kan de melding van ongewenst gedrag eveneens rechtstreeks plaatsvinden bij:

- de vertrouwenspersoon.

De vertrouwenspersoon is de bedrijfsmaatschappelijk werker van Ardyn.

Het voordeel hiervan is dat de vertrouwenspersoon geen binding heeft met de organi-satie waardoor er objectiever geadviseerd kan worden. Bij Ardyn is een centraal meld-punt om in contact te komen met een bedrijfsmaatschappelijk medewerker voor een melding of een vraag te stellen op het gebied van ongewenste omgangsvormen. Het telefoonnummer is 050 -5242854. De medewerker kan rekenen op een afspraak op korte termijn en vertrouwelijkheid van de gegevens als er contact wordt gezocht met de Ardyn.

De vertrouwenspersoon kan naast de genoemde acties bij a en b van het aanspreekpunt :

g. verdere opvang van de klager verzorgen;

h. de klager wijzen op de mogelijkheid van strafrechtelijke stappen en het begeleiden in geval van aangifte wanneer er sprake is van een vermoedelijk strafbaar feit;

i. nazorg verlenen.

De vertrouwenspersoon alsmede de aanspreekpunten zijn bevoegd noodzakelijke rele-vante informatie in te winnen bij de klager, de personen tegen wie de klacht is gericht evenals bij getuigen en derden.

Er is een verplichte geheimhouding voor personen die gehoord worden. Tevens nemen zowel de vertrouwenspersoon als de aanspreekpunten de grootst mogelijke zorgvuldig-heid in acht ter bescherming van de privacy van de direct betrokkenen.

Er worden door hen geen stappen ondernomen zonder de klager daarvan op de hoogte te stellen.

Hoofdstuk 4. Klachtenprocedure ongewenste omgangsvormen

Indien de melding van ongewenst gedrag bij het aanspreekpunt of de vertrouwensper-soon geen of onvoldoende oplossing biedt kan de medewerker terecht bij de externe klachtencommissie.

De gemeente De Wolden heeft zich aangesloten bij de externe klachtencommissie on-gewenst gedrag van de VNG. Deze landelijke commissie geeft advies aan het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot klachten op het gebied van ongewenst gedrag.De klachtenprocedure is opgenomen in de volgende regeling “klachtencommissie ongewenst gedrag”. In de bijbehorende toelichting wordt de procedure nader toegelicht.

Hoofdstuk 5. Regeling klachtencommissie ongewenst gedrag

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Wolden

gelet op artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet 2007

gelet op de instemming van de Ondernemingsraad

Besluit:

vast te stellen de navolgende regeling

“Regeling Klachtencommissie Ongewenst Gedrag gemeente De Wolden 2008”

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. bevoegd gezag: het college van burgemeester en wethouders.

b. commissie: de Klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke overheid;

c. gemeente: de gemeente of gemeentelijke instelling die zich heeft aangesloten bij de commissie en deze regeling van toepassing heeft verklaard op de behandeling van klachten op het gebied van ongewenst gedrag;

d. ongewenst gedrag: gedrag dat valt binnen de begrippen (seksuele intimidatie), agressie, geweld en pesten zoals bedoeld in artikel 3 tweede lid van de Arbeidsomstandighedenwet 2007 alsmede discriminatie zoals bedoeld in de Algemene Wet gelijke behandeling;

e. klacht: een door de klager ondertekend en van naam- en adresgegevens voorzien geschrift waarin het jegens hem ongewenste gedrag waarop de klacht betrekking heeft is omschreven;

f. klager: een persoon, niet zijnde een politieke ambtsdrager van de ge-meente, die werkzaam is of werkzaam is geweest in de organisatie van de gemeente en een klacht over ongewenst gedrag indient;

g. aangeklaagde: een persoon, niet zijnde een politieke ambtsdrager van de ge-meente, die werkzaam is of werkzaam is geweest in de organisatie van de gemeente en over wiens gedrag geklaagd wordt;

h. informant: degene die namens het bevoegd gezag informatie verstrekt aan de commissie.

Artikel 1a. Klachten over politiek ambtsdragers

Het bevoegd gezag kan in afwijking van artikel 1 onder g. de commissie ad hoc belasten met onderzoek naar en advies over een klacht, die betrekking heeft op ongewenst gedrag van een politiek ambtsdrager van de gemeente jegens klager.

Artikel 2. Instelling, taakstelling en samenstelling van de commissie

1. Er is een klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke overheid.

2. De commissie heeft tot taak een klacht te onderzoeken en daarover advies uit te brengen aan het bevoegd gezag.

3. De commissie bestaat uit drie leden waaronder een voorzitter.

4. De commissie beslist bij gewone meerderheid van stemmen.

5. Een lid van de commissie wordt vervangen als deze direct of indirect betrokken is geweest bij enige vorm van ongewenst gedrag waarover de klacht is ingediend dan wel een persoonlijk belang heeft bij de afhandeling van de klacht.

6. Benoeming, schorsing en ontslag van de voorzitter, overige leden en hun plaatsver-vangers geschiedt door de voorzitter van het College voor Arbeidszaken van de Ver-eniging van Nederlandse Gemeenten.

7. De voorzitter, overige leden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van zes jaar. De commissie kan een nadere werkwijze bepalen.

Artikel 3. Secretaris en administratie

1. De voorzitter van het College voor Arbeidszaken wijst na overleg met de voorzitter van de commissie een secretaris en een plaatsvervangend secretaris aan.

2. De administratie ten behoeve van de commissie wordt gevoerd door het secretariaat van het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Artikel 4. Indienen van de klacht

1. De klager dient een klacht bij de commissie in.

2. In de klacht wordt zo mogelijk vermeld de datum, tijd, plaats van het ongewenst gedrag, de omstandigheden, de namen van aangeklaagde en eventuele getuigen, alsmede de stappen die klager reeds heeft ondernomen.

3. Indien de klager de klacht indient bij het bevoegd gezag, bevestigt het bevoegd gezag de ontvangst van de klacht aan de klager en vermeldt daarbij dat de com-missie over de klacht zal adviseren. Het bevoegd gezag zendt de klacht, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk door aan de commissie.

4. De commissie bevestigt de ontvangst van de klacht aan de klager en stelt hem op de hoogte van de termijnen en de wijze van afdoening van de klacht.

Artikel 5. Ontvankelijkheid van de klacht

1. Het bevoegd gezag verstrekt op verzoek van de commissie alle op de klacht betrek-king hebbende gegevens waaronder de gemeentelijke klachtenregeling, de adres- en functiegegevens van de klager en de aangeklaagde, een overzicht van eventueel binnen de gemeente ondernomen stappen en reeds geproduceerde stukken met be-trekking tot de klacht.

2. De commissie neemt een klacht niet in behandeling indien deze niet valt binnen de begripsbepalingen van artikel 1 onder c, d, e, f en g van deze regeling.

3. De commissie neemt een klacht niet in behandeling indien verplichte stappen uit de gemeentelijke klachtenprocedure niet zijn doorlopen. De commissie brengt de klager binnen twee weken na ontvangst van de klacht hiervan schriftelijk op de hoogte.

4. De commissie kan de klacht voorts niet in behandeling nemen indien:

a. de klacht niet binnen een redelijke termijn nadat het ongewenste gedrag heeft plaatsgevonden aan de commissie is voorgelegd;

b. er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 9:8, eerste en tweede lid van de Algemene Wet bestuursrecht.

Artikel 6. Onderzoek naar de klacht

1. Indien de commissie dit voor de uitoefening van haar taak noodzakelijk acht stelt zij een onderzoek in.

2. Ten behoeve van het onderzoek is de commissie bevoegd bij het bevoegd gezag alle inlichtingen in te winnen die zij voor de vorming van haar advies nodig acht; het bevoegd gezag verschaft de commissie de gevraagde inlichtingen en stelt de com-missie desgevraagd in de gelegenheid de werkomgeving te aanschouwen.

3. Het bevoegd gezag stelt personen werkzaam binnen de organisatie van de gemeente in de gelegenheid te worden gehoord.

4. De commissie kan het bevoegd gezag adviseren tussentijdse maatregelen te nemen indien en voor zover dit in het belang is van het onderzoek of van de positie van de in het onderzoek betrokken personen.

Artikel 7. Horen

1. Alvorens een advies uit te brengen stelt de commissie de klager, de aangeklaagde en de informant in de gelegenheid om te worden gehoord. De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een ander lid van de commissie.

2. Van het horen kan worden afgezien indien de klacht kennelijk ongegrond is dan wel indien de klager heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te wor-den gehoord.

3. De commissie zendt tijdig voorafgaand aan de hoorzitting aan de aangeklaagde - en voor zover nodig aan klager en informant - een afschrift van de klacht en van andere stukken die op de klacht betrekking hebben.

4. De commissie hoort de klager en de aangeklaagde in beginsel buiten elkaars aan-wezigheid. De commissie stelt klager en aangeklaagde in de gelegenheid van elkaars zienswijze kennis te nemen en daarop te reageren.

5. De klager en aangeklaagde kunnen zich ter zitting laten bijstaan door een (raads)persoon.

6. De commissie is bevoegd om getuigen, andere betrokkenen en deskundigen schriftelijk of mondeling te raadplegen.

7. De zittingen van de commissie zijn niet openbaar.

8. Van het horen wordt een verslag gemaakt.

9. De zittingen vinden zoveel mogelijk plaats op een voor partijen goed bereikbare locatie.

Artikel 8. Omgang met persoonsgegevens

1. De commissie verzamelt en verwerkt uitsluitend persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor het uitbrengen van een advies. Bij de verwerking van persoonsgegevens zorgt de commissie voor beveiliging van de gegevens tegen verlies en onrechtmatige verwerking.

2. Voor de commissie alsmede de secretaris geldt de plicht tot geheimhouding van persoonsgegevens voor zover overdracht van informatie niet noodzakelijk is voor de uitoefening van de taak van de commissie. Wanneer de inhoud van bepaalde infor-matie uitsluitend ter kennisneming door de commissie dient te blijven wordt dit aan de commissie meegedeeld.

3. De commissie wijst personen die worden gehoord of geraadpleegd op de vertrouwelijkheid van hetgeen ter zitting aan de orde komt.

Artikel 9. Advies over de klacht

1. De commissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de klacht advies uit aan het bevoegd gezag over de gegrondheid van de klacht vergezeld van een rapport van bevindingen. Het rapport bevat een verslag van het horen. Een afschrift van het advies wordt aan klager en aangeklaagde toegezonden.

2. In het advies kunnen aanbevelingen worden gedaan over door het bevoegd gezag te nemen maatregelen.

3. Indien de commissie op grond van artikel 5, tweede of vierde lid, van deze regeling een klacht niet in behandeling neemt brengt de commissie zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de klacht advies uit aan het bevoegd gezag de klacht niet ontvankelijk te verklaren. Een afschrift van het advies wordt aan klager toegezonden.

Artikel 10. Afdoening van de klacht

1. Het bevoegd gezag stelt binnen twee weken na ontvangst van het advies van de commissie bedoeld in artikel 9, eerste lid, klager en aangeklaagde schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek naar de gegrondheid van de klacht alsmede de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Indien de conclusies van het bevoegd gezag afwijken van het advies van de commissie wordt de reden van die afwijking vermeld.

2. Het bevoegd gezag kan de afdoening bedoeld in het eerste lid voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan klager en aangeklaagde.

3. Het bevoegd gezag stelt binnen twee weken na ontvangst van het advies van de commissie bedoeld in artikel 9, derde lid, klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de klacht alsmede de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

4. Het bevoegd gezag kan de afdoening bedoeld in het derde lid voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de klager. Indien de conclusies van het bevoegd gezag afwijken van het advies van de commissie wordt de reden van die afwijking vermeld

5. Het bevoegd gezag zendt een afschrift van de conclusies bedoeld in het eerste en derd lid naar de commissie.

6. Naar haar beslissing verwijst het bevoegd gezag naar de externe klachtenprocedure. 

Artikel 11. Jaarverslag

1. Jaarlijks wordt een verslag opgesteld door de commissie.

2. In dat verslag worden in geanonimiseerde zin en met in achtneming van de terzake geldende wettelijke bepalingen vermeld:

a. het aantal klachten dat de commissie heeft ontvangen;

b. het aantal niet-ontvankelijk, (gedeeltelijk) gegrond en ongegrond geachte klach-ten;

c. de aard van de klachten;

d. statistische gegevens over klagers en aangeklaagden (man-vrouw; leeftijdscate-gorieën; leidinggevend of niet; geboren in Nederland of niet);

e. de doorlooptijd van de adviezen;

f. aanbevelingen en tendensen.

3. Het verslag wordt toegezonden aan het bevoegd gezag van de gemeenten waarin deze regeling van toepassing is verklaard.

Artikel 12. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking de dag volgend op de dag waarop de regeling is vastgesteld.

Sluiting

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders op 10 maart 2009.

de secretaris, de burgemeester,