Verordening gemeentelijke kindregelingen De Wolden

Home > Raad en College > Verordeningen, overige regelingen en beleidsregels > Verordening gemeentelijke kindregelingen De Wolden

Verordening gemeentelijke kindregelingen De Wolden

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente De Wolden
Officiële naam regelingVerordening gemeentelijke kindregelingen De Wolden
CiteertitelVerordening gemeentelijke kindregelingen De Wolden
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Artikel 23 Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
  2. Artikel 155 tot en met artikel 157 Wet op het primair onderwijs
  3. Titel 4.2 Algemene wet bestuursrecht

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
13-10-2017 n.v.t. Nieuwe regeling 28-10-2017 Digitaal gemeenteblad IX / 11

Tekst van de regeling

Hoofdstuk 1. Begrippen

Artikel 1. Begripsbepalingen

1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  1. a.

    aanvraag: een op verzoek van de ouders of verzorgers door een kindercentrum, of in het geval er sprake is van een Sociaal Medische Indicatie (SMI) of reguliere opvang bij re-integratie, door een gastouderbureau ingediende aanvraag om subsidie voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op grond van een gemeentelijke kindregeling krachtens deze verordening;

  2. b.

    achterstand: het achterblijven van een kind in zijn (taal)ontwikkeling ter zake waarvan door de GGD een indicatie of VVE-toekenning is afgegeven vanaf het moment dat het kind de leeftijd van 18 maanden heeft bereikt;

  3. c.

    doelgroepouder: ouder als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder sub c, e of van de Wet Kinderopvang;

  4. d.

    gastouder: werkt voor een gastouderbureau en verzorgt kleinschalige kinderopvang in huiselijke sfeer. Dit kan opvang bij de gastouder thuis zijn, of opvang bij de ouder thuis.

  5. e.

    gastouderbureau: in het LRKP geregistreerde kinderopvang waar kinderen van 0 tot 13 jaar via een gastouder in een huiselijke omgeving worden opgevangen bij een (gast)ouder met een woonadres in de gemeente De Wolden;

  6. f.

    GGD: Gemeentelijke Gezondheidsdienst Drenthe;

  7. g.

    kindercentrum: in het LRKP geregistreerde locatie voor kinderopvang waar kinderen van 0 tot 13 jaar worden opgevangen, niet zijnde een gastouderbureau;

  8. h.

    kind: een in de gemeente De Wolden woonachtig kind in de leeftijd van 0 tot 13 jaar;

  9. i.

    kindplaats: een gesubsidieerde opvangplaats voor een kind op een kindercentrum of bij een gastouder;

  10. j.

    kindregeling: mogelijkheid voor een kindercentrum of een gastouderbureau om een bepaald aantal uren kinderopvang vergoed te krijgen in de vorm van een subsidie;

  11. k.

    LRKP: het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen;

  12. l.

    Inspectie: het door de GGD in opdracht van het college uitvoeren van het toezicht op de kwaliteit van de in de gemeente De Wolden gesitueerde kindercentra conform de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en de onderhavige verordening;

  13. m.

    maximum uurtarief: het jaarlijks door de belastingdienst vastgestelde landelijk maximum uurtarief per opvangsoort;

  14. n.

    verzoek: melding van een ouder bij het college, kindercentrum of professional dat hij aanspraak wenst te maken op een gesubsidieerde kindplaats;

  15. o.

    onderzoek: het door de professional verzamelen van alle voor het onderzoek en gesprek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over het kind en de gezinssituatie om te beoordelen of er aanvullende gemeentelijke financiering van kinderopvang noodzakelijk is;

  16. p.

    ouder: de in de gemeente De Wolden woonachtige gezaghebbende ouder(s) of verzorger(s) van een kind die voldoet aan de begripsbepaling in de Wet Kinderopvang;

  17. q.

    peuter: een in de gemeente De Wolden woonachtig kind in de leeftijd van 2 tot 4 jaar;

  18. r.

    peuterspelen: opvang van een peuter in een LRKP geregistreerde locatie voor kinderopvang; te definiëren als kortdurende, intentionele, brede ontwikkelingsstimulering voor peuters van 2 tot 4 jaar, die maakt dat ze goed voorbereid beginnen aan de basisschool.

  19. s.

    plan van aanpak: document waarin de betrokken professional zijn bevindingen ten aanzien van de gezinssituatie vastlegt en waarin de in overleg met de ouder te nemen maatregelen zijn omschreven met als doel de knelpunten en mogelijke achterstanden bij het kind of ouder op te lossen of te verminderen;

  20. t.

    professional: de gezinscoach via het CJG, de medewerker van de gemeente, de VVE-toeleider, of verpleegkundige of arts van de GGD werkzaam binnen de gemeente De Wolden;

  21. u.

    SMI: Sociaal Medische Indicatie;

  22. v.

    voorliggende voorziening: andere regelingen of wetten waarop door de ouder een beroep kan worden gedaan voordat aanspraak kan worden gemaakt op de gemeentelijke kindregelingen, zoals de kinderopvangtoeslag of voorzieningen vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning;

  23. w.

    VVE: Voor- en Vroegschoolse Educatie;

  24. x.

    VVE-indicatie: aanwijzing van het consultatiebureau De Wolden (GGD) dat een kind van circa 18 maanden een risico loopt op het ontwikkelen van een achterstand en voldoet aan de doelgroep definitie van de gemeente De Wolden

  25. y.

    VVE-kindercentrum: een locatie voor Kinderopvang met een in het LRKP vastgelegde VVE-registratie.

  26. z.

    wederkerigheid: activiteiten verricht door de ouder voor minimaal 4 uren per week gemiddeld per jaar tijdens de periode van plaatsing van het kind in ruil voor het gebruik kunnen maken van een kindplaats op een kindercentrum of gastouder;

  27. aa.

    Wet Kinderopvang: Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen tot 01-01-2018 en de Wet Kinderopvang vanaf 0-01-2018.

Hoofdstuk 2. Procedure ouder en professional

Artikel 2. Verzoek ouder

  1. 1.

    Een ouder kan zich rechtstreeks tot het kindercentrum van zijn keuze wenden om een verzoek te doen om aanspraak te maken op een kindplaats. Indien een professional al betrokken is bij het gezin kan de ouder zich ook tot deze persoon wenden. De professional gaat hierover een gesprek aan met de ouder.

  2. 2.

    Een ouder kan zich ook wenden tot een gastouderbureau van zijn keuze om een verzoek te doen om aanspraak te maken op een kindplaats voor zover het de kindregelingen SMI en reguliere opvang bij re-integratie betreffen.

  3. 3.

    Het kindercentrum of de professional beoordeelt of de ouder voor een voorliggende voorziening in aanmerking komt of dat de ouder op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk in de vraag om opvang kan voorzien. Zijn hier geen mogelijkheden voor, dan beoordeelt de professional of en zo ja voor welke kindregeling het kind in aanmerking komt.

  4. 4.

    Indien het kind geplaatst kan worden op een kindercentrum of bij een gastouder, dan dienen zij de procedure inzake subsidieverlening te volgen, zoals omschreven in hoofdstuk 3 van deze verordening.

  5. 5.

    De gemeente toetst achteraf of de beoordeling juist is toegepast. Bij onjuiste toepassing vervalt het recht en kan de ten onrechte verleende subsidie worden terug gevorderd

Artikel 3. Wederkerigheid

  1. 1.

    De ouder dient in ruil voor het gebruik maken van een kindplaats wederkerigheid te verrichten voor minimaal 4 uur per week gemiddeld per jaar gedurende de periode van plaatsing van het kind. De wederkerigheid heeft tot doel iedere ouder of verzorger van een kind te laten participeren in onze samenleving.

  2. 2.

    De wederkerigheid kan plaatsvinden in de vorm van betaald werk, vrijwilligerswerk, mantelzorg, een re-integratie- of inburgeringstraject, of ouderbetrokkenheid gericht op vermindering van de achterstanden van het betrokken kind.

  3. 3.

    Indien de ouder niet aan de verplichting tot wederkerigheid kan voldoen in verband met bijzondere omstandigheden, dan treedt hij in overleg met de betrokken professional om afspraken te maken op welke termijn en in welke opbouw wel aan deze verplichting wordt voldaan.

Artikel 4. Inschakeling professional

  1. 1.

    Het college kan in bijzondere omstandigheden na ontvangst van een verzoek als bedoeld in artikel 2 of een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 6 een professional inschakelen die een onderzoek doet en een gesprek voert met de ouder over het verzoek of de aanvraag.

  2. 2.

    De ouder werkt mee aan het onderzoek en het gesprek als bedoeld in het eerste lid indien hij in aanmerking wenst te komen voor een kindplaats.

  3. 3.

    De professional legt samen met de ouder de afspraken vast in een plan van aanpak en maakt afspraken met de ouder over de invulling van de wederkerigheid.

  4. 4.

    Nadat het plan van aanpak is opgesteld verwijst de professional de ouder naar een kindercentrum, of gastouder van zijn keuze waar het kind geplaatst kan worden.

Artikel 5. Overige verplichtingen ouder

  1. 1.

    De ouder dient wanneer hij gebruik wil maken van een kindplaats een verklaring te ondertekenen waarin hij verklaart dat er geen aanspraak gemaakt kan worden op kinderopvangtoeslag.

  2. 2.

    De ouder verstrekt de ondertekende verklaring als bedoeld in het eerste lid aan het kindercentrum of gastouderbureau waar het kind geplaatst wordt.

  3. 3.

    De ouder is verplicht met het betreffende kindercentrum of gastouderbureau een plaatsingscontract aan te gaan.

Hoofdstuk 3. Procedure subsidieverlening

Artikel 6. Subsidieaanvraag

  1. 1.

    Het college is bevoegd te besluiten op aanvragen om subsidie voor een kindplaats krachtens deze verordening.

  2. 2.

    Subsidie voor een kindplaats kan worden verleend op grond van de volgende te onderscheiden kindregelingen:

    a. Peuterspelen: Peuterspeelzaalwerk (PSZW) tot 01-01-2018 en Wet Kinderopvang v.a. 01-01-2018

    b. Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE);

    c. Sociaal Medische Indicatie (SMI)

    d. Reguliere kinderopvang bij re-integratie.

  3. 3.

    De subsidieaanvraag wordt uiterlijk 1 juni ingediend voorafgaande aan het kalanderjaar waar de subsidie betrekking op heeft, met gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier. Het college kan in bijzondere gevallen een andere datum vaststellen. Bij niet tijdige indiening van de aanvraag kan het college besluiten de aanvraag niet te behandelen.

  4. 4.

    De subsidieaanvraag bevat in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden:

    a. naam, adres, LRKP-registratie van het kindercentrum of het gastouderbureau en de gastouder;

    b. per LRKP locatie:

    i. een overzicht van de reeds bezette kindplaatsen per 1 april van het jaar voorafgaande aan het subsidiejaar, uitgesplitst naar aantallen, NAW gegevens van de kinderen en het  type kindregeling;

    ii. een schatting van het aantal meer of minder af te nemen kindplaatsen in het subsidiejaar uitgesplitst naar type kindregeling met een onderbouwing daarvan;

    iii. vermelding of de locatie voldoet aan de voorwaarden van een kindercentrum conform artikel 1 sub g of VVE-kindercentrum conform artikel 1 sub y van onderhavige verordening; en

    iv. een begroting op basis van de vergoedingen conform onderhavige verordening.

  5. 5.

    Overige gegevens die het college nodig acht om een besluit te nemen op de aanvraag. Wanneer gedurende het subsidiejaar het aantal kindplaatsen meer bedraagt dan het aantal bedoeld in artikel 6, vierde lid, onder b, sub ii, waarvoor reeds subsidie is verleend, dient het kindercentrum of gastouderbureau voor het extra aantal kindplaatsen een afzonderlijke subsidieaanvraag in.

Artikel 7. Subsidieverlening

  1. 1.

    Het college besluit op de subsidieaanvraag binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

  2. 2.

    Het college kan de in het eerste lid vermelde termijn met ten hoogste vier weken verdagen.

  3. 3.

    De beslistermijn wordt opgeschort vanaf het moment waarop op grond van artikel 4 een professional wordt ingeschakeld tot het moment waarop het plan van aanpak door de professional en de ouder is ondertekend.

  4. 4.

    De te verlenen subsidie voor het in de subsidieaanvraag vermelde aantal kindplaatsen wordt bepaald op basis van het jaarlijks per kindregeling vastgestelde maximum uurtarief, omgerekend naar een openstelling van:

    a. Peuterspelen: maximaal 41 weken per kalenderjaar, waarbij gerekend wordt met het maximale uurtarief welke de belastingdienst hanteert voor het berekenen van de kinderopvangtoeslag, over maximaal 7 uur peuterspelen per week verdeeld over 2 dag delen onder aftrek van de vast te stellen ouderbijdrage zoals bedoeld in artikel 7 lid 5. (2017=€ 7,18 per uur).

    b. VVE:

    1. Ouder zonder kinderopvangtoeslag: voor een kind wiens ouder geen aanspraak kan maken op kinderopvangtoeslag is de subsidie maximaal 46 weken per kalenderjaar voor minimaal 10 uur en maximaal 14 uur kinderopvang per week.

    2. Ouder met kinderopvangtoeslag: voor een kind wiens ouder wel aanspraak kan maken op kinderopvangtoeslag is de subsidie maximaal 46 weken per kalenderjaar voor maximaal 7 uur per week. Ouders dienen hierbij de eerste 7 uur zelf te betalen en ontvangen hiervoor kinderopvangtoeslag. De tweede 3 tot 7 uur kan worden gesubsidieerd.

    3. De eerste zeven uren onder aftrek van eigen bijdrage worden gesubsidieerd indien het VVE/kindcentrum voldoet aan de-kwaliteitsnorm zoals het college heeft vastgesteld in de lijn van het Inspectiekader VVE. De overige VVE uren worden volledig vergoed zonder eigen bijdrage.

    4. Alle VVE uren worden gesubsidieerd op basis van het maximale uurtarief Peuterspelen met een opslag van €2,- per afgenomen uur onder aftrek van de vastgestelde ouderbijdrage.

    c. SMI: maximaal 52 weken per kalenderjaar, waarbij gerekend wordt met het maximum uurtarief voor maximaal 230 uur kinderopvang per maand.

    d. Re-integratie: maximaal 52 weken per kalenderjaar, waarbij de eigen bijdrage van de ouders wordt vergoed conform het maximum uurtarief voor maximaal 230 uur kinderopvang per maand. De eigen bijdrage is afhankelijk van het inkomen van de ouder en wordt weergegeven in een zogenaamde kinderopvangtoeslagtabel. (VNG)

  5. 5.

    Het college sluit voor het bepalen van het subsidiebedrag op voornoemde kindregelingen aan bij de VNG Adviestabel ouderbijdrage peuterwerk 2017. Indien de eigen bijdrage zoals neergelegd in de tabel wijzigt, verandert de subsidiëring door de gemeente evenredig mee. De ouderbijdrage wordt in mindering gebracht op het feitelijk uurtarief waarbij rekening wordt gehouden met de vastgestelde maximale tarieven.

  6. 6.

    De ouder van wie het kind in aanmerking komt voor een kindplaats op grond van deze verordening ontvangt daarvan zo spoedig mogelijk bericht van het college.

  7. 7.

    In het geval van een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, kan het college de reeds genomen beschikking tot subsidieverlening in het voordeel van de subsidie-ontvanger wijzigen.

Artikel 8. Tussentijdse melding kindplaatsen

  1. 1.

    Het kindercentrum of gastouderbureau maakt gedurende het subsidiejaar zo spoedig mogelijk melding bij het college van ieder kind waarvan de ouder voor de resterende periode van dat jaar niet langer gebruik wenst te maken van een kindplaats en van ieder nieuw kind waarvan de ouder gedurende het subsidiejaar in aanmerking wenst te komen voor een kindplaats.

  2. 2.

    Het kindercentrum of gastouderbureau ontvangt zo spoedig mogelijk na melding van een nieuw kind bericht van het college of het kind volgens de voorwaarden van deze verordening in aanmerking komt voor een kindplaats.

Artikel 9. Betaling subsidiebijdragen

  1. 1.

    De subsidie wordt achteraf maandelijks bij wijze van voorschot betaald en bedraagt 100% van het te verlenen bedrag.

  2. 2.

    Het kindercentrum of gastouderbureau declareert maandelijks per regeling, zoals benoemd in artikel 7 lid 4 sub a t/m d, de door hen te ontvangen subsidie op basis van het geldende uurtarief verminderd met de geldende ouderbijdrage zoals benoemd in artikel 7 lid 5.

  3. 3.

    De declaratie wordt ingediend op een door de subsidieverlener beschikbaar gesteld formulier.

  4. 4.

    Bij de berekening van de subsidiebijdragen geldende de werkelijk gemaakte uren over het maximaal aantal weken en de werkelijk berekende uurtarieven met als maximum het bepaalde in artikel 7 lid 4 a t/m d.

Artikel 10. Weigeringsgronden

Het college kan de subsidie weigeren indien:

  1. a.

    de ouder op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de hulpvraag kan wegnemen;

  2. b.

    de ouder en de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang ontvangt in de vorm van kinderopvangtoeslag, tenzij hij kan aantonen dat hij een doelgroep ouder is;

  3. c.

    de ouder een beroep kan doen op een andere voorliggende voorziening zoals:

    I. de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

    II. de Wet maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 11. Subsidievoorwaarden peuterspelen

Om voor subsidie op grond van de kindregeling peuterspelen in aanmerking te komen moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. a.

    de opvang wordt aangevraagd voor een peuter:

  2. b.

    de opvang vindt plaats in een LRKP-geregistreerd kindercentrum, niet zijnde gastouderopvang.

Artikel 12. Voorwaarden Voor- en Vroegschoolse educatie

  1. 1.

    Om voor subsidie voor een kindplaats voor een kind met een VVE-indicatie in aanmerking te komen moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

    a. de opvang wordt aangevraagd voor een peuter met een achterstand;

    b. de opvang vindt plaats in een LRKP-geregistreerd kindercentrum, niet zijnde gastouderopvang;

    c. het kindercentrum dient deel te nemen aan de VVE-monitor;

    d. het kindercentrum dient structureel samen te werken met een school binnen het Primair Onderwijs in De Wolden;

    e. het kindercentrum rapporteert bevindingen aan de verwijzer;

    f. het kindercentrum dient samen met de ouder een plan op te stellen waarin gezamenlijk gewerkt wordt aan het verminderen van de achterstand en ziet toe op de voortgang, en

    g. het kindercentrum dient melding te maken aan de GGD en VVE-Kenniscentrum zodra het kind is geplaatst;

    h. het kindercentrum werkt conform het OCW inspectiekader VVE.

  2. 2.

    Een kindercentrum dat in het LRKP VVE-geregistreerd wenst te zijn dient te werken conform het OCW Inspectiekader VVE en te voldoen aan de volgende voorwaarden blijkend uit de jaarlijkse rapportage van de GGD-inspectie:

    a. de locatie voldoet aan de wettelijke VVE-kwaliteit;

    b. de beroepskrachten zijn in het bezit van een diploma of certificaat van een VVE-programma conform de databank effectieve jeugdinterventies zoals weergegeven op www.NJI.nl.;

    c. alle beroepskrachten zijn in het bezit van een diploma of certificaat van minimaal 3F voor lees- en mondelinge vaardigheid en 2F schriftelijke vaardigheid.

  3. 3.

    Indien uit de inspectie blijkt dat locatie of medewerkers niet voldoen aan één van de bovengenoemde voorwaarden start de handhavingsprocedure zoals opgenomen in de “Beleidsregels toezicht en handhaving Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen Gemeente De Wolden”. Indien blijkt dat de VVE-kwaliteit op het kindercentrum ondanks de hersteltermijn en tweede inspectie nog niet voldoet aan de in deze verordening genoemde voorwaarden wordt na ontvangst van de rapportage het maximale tarief vastgesteld zonder VVE-toeslag. Ingangsdatum is de eerste van de eerstvolgende maand na ontvangst van het eerste inspectierapport waarin melding werd gemaakt dat het VVE-kindercentrum niet voldeed aan de gestelde voorwaarden. De gewijzigde tariefstelling wordt verrekend bij de subsidievaststelling.

  4. 4.

    Indien uit de inspectie blijkt dat de locatie of medewerkers voldoen aan de VVE-kwaliteitseisen is na ontvangst van het GGD-inspectierapport met ingang van de eerste van de eerstvolgende maand het VVE-tarief van toepassing voor de geplaatste VVE-kinderen. De gewijzigde tariefstelling wordt verrekend bij de subsidievaststelling.

Artikel 13. Voorwaarden Sociaal Medische Indicatie

Om voor subsidie voor een kindplaats voor een kind met een SMI in aanmerking te komen moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. a.

    het betreffende kind of de betrokken ouder tot de categorie personen behoort met een lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke of psychische beperking en waarvoor is komen vast te staan dat een of meer van deze beperkingen kinderopvang noodzakelijk maken, of

  2. b.

    er is vastgesteld dat de veiligheid van het kind in het geding is, of

  3. c.

    er is vastgesteld dat er sprake is van een crisissituatie waardoor de ouder tijdelijk niet in staat is de verzorging of betaling van de opvang op zich te nemen, of de noodzaak voor kinderopvang blijkt uit andere stukken van een huisarts of andere instellingen voor zover die een sociaal of medisch oordeel kunnen vormen over de ouder of het betreffende kind, en

  4. d.

    gezinscoach (CJG) of onafhankelijk arts  beoordeelt of er een kindregeling SMI noodzakelijk is, voor welke omvang en voor welke duur en geeft hier een indicatie voor af en legt dit vast in een plan van aanpak; en uit het plan van aanpak blijkt wie op welke termijn actie onderneemt om de geconstateerde knelpunten bij ouder of kind op te lossen; en de opvang vindt plaats in een kindercentrum of bij een gastouder.

Artikel 14. Voorwaarden reguliere opvang bij re-integratie

Om voor subsidie voor een kindplaats voor een kind ingeval van reguliere opvang bij re-integratie in aanmerking te komen moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden:

  1. a.

    de betreffende ouder is een zogenaamde doelgroepouder als bedoeld in artikel 1.6 lid 1 onder sub c, e en j van de Wet, en

  2. b.

    de opvang vindt plaats in een LRKP-geregistreerd kindercentrum.

Hoofdstuk 5. Procedure subsidievaststelling

Artikel 15. Subsidievaststelling

1. Het kindercentrum of gastouderbureau dient uiterlijk 1 juni van het jaar volgend op het subsidiejaar een aanvraag tot het vaststellen van de subsidie in, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening een andere termijn is vermeld.

2. Bij subsidieverleningen van € 100.000,- of meer wordt bij de aanvraag tot subsidievaststelling een controleverklaring van de accountant overgelegd, tenzij bij de subsidievaststelling over de reguliere werkzaamheden van een bepaalde instelling al een accountsverklaring is overgelegd.

3. De aanvraag tot vaststelling bevat in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden:

  1. a.

    naam, adres, LRKP-registratie van het kindercentrum of het gastouderbureau en de gastouder;

  2. b.

    naam en geboortedatum van het kind waarop de aanvraag betrekking heeft;

  3. c.

    naam, adres, geboortedatum van de ouder;

  4. d.

    een overzicht van het kindercentrum dat de kinderopvang heeft verzorgd of gastouderbureau dat bemiddeld heeft bij de opvang, waarop de daadwerkelijke afname per kind inzichtelijk is. De verantwoording bevat per kind de volgende gegevens: i. het type kindregeling; ii. het aantal uren kinderopvang; iii. de kostprijs per uur; en iv. de aanvangs- en einddatum van de opvang;

  5. e.

    een verklaring dat de ouder gedurende het subsidietijdvak geen aanspraak kon maken van een voorliggende voorziening;

  6. f.

    een VVE-indicatie in geval van een VVE-aanvraag;

  7. g.

    overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen besluiten.

4. De aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier.

5. Het college beslist binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie. Deze beslissing kan eenmaal met ten hoogste vier weken worden verdaagd

6. De subsidie voor de kindregelingen peuterspelen, VVE, SMI en reguliere opvang bij re-integratie wordt vastgesteld op basis van het daadwerkelijke aantal afgenomen uren kinderopvang in het betreffende subsidietijdvak en het daarvoor geldende tarief.

Hoofdstuk 6. Overige bepalingen

Artikel 16. Verplichting van de subsidie-ontvanger

Het kindercentrum of het gastouderbureau is verplicht met de ouder van een te plaatsen kind een plaatsingscontract te sluiten.

Artikel 17. Nieuwe feiten en omstandigheden

Het kindercentrum of het gastouderbureau doet op verzoek van het college of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk is dat deze aanleiding kunnen geven tot heroverweging van de beslissing tot subsidiëring van de kindregeling.

Artikel 18. Nadere regels en hardheidsclausule

  1. 1.

    Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening.

  2. 2.

    Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager of de betreffende ouder afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 19. Tarieven

  1. 1.

    De tarieven, zoals genoemd in deze verordening, gelden met ingang van 1 oktober 2017 tot en met 31 december 2017. Tenzij dit anders is bepaald is het tarief van toepassing ontleend aan het maximale uurtarief welke de belastingdienst hanteert voor de berekening van de kinderopvangtoeslag.

  2. 2.

    Voor het berekenen van de ouderbijdrage geldt de VNG Adviestabel ouderbijdrage peuterwerk.

  3. 3.

    Het tarief is vastgesteld op een maximum uurtarief van : € 7,18 ( 2017)

  4. 4.

    De tarieven worden periodiek bijgesteld zodra de belastingdienst en/of de VNG haar maximale tarieven voor de berekening van de kinderopvangtoeslag of voor de berekening van de ouderbijdrage heeft gewijzigd.

  5. 5.

    Het opslagtarief per uur voor de kinderopvang van VVE doelgroepkinderen bedraagt €2,- per uur en zal jaarlijks worden geïndexeerd.

Artikel 20. Inwerkingtreding en citeertitel

  1. 1.

    Deze verordening treedt na bekendmaking in werking op 1 oktober 2017.

  2. 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening gemeentelijke kindregelingen De Wolden.

Sluiting

Aldus besloten in de raadsvergadering van 28 september 2017

De griffier, De voorzitter,

Contact

E-mail: gemeente@dewolden.nl

Bel ons op:

14 0528
(zonder kengetal)

Postadres

Postbus 20, 7920 AA Zuidwolde

Bezoekadres

Raadhuisstraat 2
7921 GD Zuidwolde

Openingstijden

Contactinformatie