Verordening maatschappelijke ondersteuning De Wolden 2017

Home > Raad en College > Verordeningen, overige regelingen en beleidsregels > Verordening maatschappelijke ondersteuning De Wolden 2017

Verordening maatschappelijke ondersteuning De Wolden 2017

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente De Wolden
Officiële naam regelingVerordening maatschappelijke ondersteuning De Wolden 2017
CiteertitelVerordening maatschappelijke ondersteuning De Wolden 2017
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpMaatschappelijke zorg en welzijn - verordeningen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Artikel 2.1.3 t/m 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning
  2. Artikel 3.8 en 3.11 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
07-02-2019 n.v.t. Wijziging artikelen 1, 8c, 12a, 15, 15a, 17, 22 en bijlagen. 31-01-2019 Digitaal gemeenteblad onbekend
18-10-2017 n.v.t. Nieuwe regeling 29-06-2017 Digitaal gemeenteblad 29-6-2017 / 9

Tekst van de regeling

De raad van de gemeente De Wolden;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 3.8 en 3.11 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

overwegende:

  1. -

    dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;

  1. -

    dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;

  1. -

    dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;

  1. -

    dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en

  1. -

    dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving, 

besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning De Wolden 2017

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  1. a.

    algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;

  2. b.

    andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wmo 2015;

  3. c.

    bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet;

  1. d.

    gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  1. e.

    hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  1. f.

    melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  1. g.

    pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

  2. h.

    voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen zoals regelingen met de Wet Langdurige Zorg en de Zorgverzekeringswet;

  3. i.

    wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  4. j.

    verordening: verordening maatschappelijke ondersteuning 2017;

  5. k.

    kostprijs: resultaat onderhandeling van de gemeente met zorgaanbieders;

  6. l.

    tarief: maximaal de kostprijs van een voorziening;

  7. m.

    dienst: maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst zoals thuishulp, begeleiding of respijtzorg;

  8. n.

    begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat iemand zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven;

  9. o.

    algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning;

  10. p.

    maatwerkvoorzieningen: woningaanpassingen, hulpmiddelen en rolstoelen en vervoersmiddelen, thuishulp, begeleiding en beschermd wonen zoals uitgewerkt in artikel 8 en 12a en in de Nadere regels;

  11. q.

    budgethouder: een persoon met een beperking, een chronisch psychisch probleem en/of een psychosociaal probleem die behoefte heeft aan compensatie ten behoeve van het bevorderen van zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren, die voor zichzelf of, met behulp van een machtiging, door een ander een aanmelding of een aanvraag doet of laat doen;

  12. r.

    mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

  13. s.

    professionele organisatie: een organisatie, die ingeschreven staat bij de kamer van koophandel als bedrijf en waarbij de zorgverlener daadwerkelijk in dienst is; er is dus geen sprake van een ZZP, alpha-hulp of vergelijkbare constructie. Er zijn aantoonbare werkgeverslasten zoals in ieder geval huur gebouwen, afdracht werkgeverspremies en verplicht regelen vervanging;

  14. t.

    sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen  met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Bij hulpverlening door het sociale netwerk worden aan de hulpverlener geen bijzondere specifieke eisen gesteld. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de klant om de gestelde resultaten te bereiken en deze ook zichtbaar te maken. Sociaal netwerk kan veel meer zijn dan familie, kennissen en kan een ieder betreffen met wie de klant een sociale relatie onderhoudt;

  15. u.

    meerkosten: specifieke meerkosten chronisch zieken en voorwaarden genoemd in de Regeling Meerkosten 2015 en 2016;

  16. v.

    peiljaar voor bepaling eigen bijdragen:

  17. w.

    resultaat: het doel waartoe een maatwerkvoorziening of een individuele voorziening wordt verstrekt;

  18. x.

    respijtzorg: ontvangers van mantelzorg kunnen, via indicatie van de gemeente, kortdurend logeren in een instelling om mantelzorgers te ontlasten;

  19. y.

    zin: zorg in natura. Bij zorg in natura regelt de gemeente een zorgaanbieder en de betaling met een zorgaanbieder;

  1. z.

    overige begrippen: voor zover de definitie niet staat omschreven in bovenstaande artikel, wordt er aangesloten bij de begrippen in de wettekst Wmo 2015 en de toelichting.

Hoofdstuk 2. Procedureregels

Artikel 2. Melding hulpvraag

  1. 1.

    Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

  2. 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.

  3. 3.

    In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 3. Cliëntondersteuning

  1. 1.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

  2. 2.

    Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan

  1. 1.

    Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.

  2. 2.

    Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  3. 3.

    Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  4. 4.

    Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

Artikel 5. Gesprek

1. Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

  1. a.

    de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

  2. b.

    het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

  3. c.

    de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

  4. d.

    de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

  5. e.

    de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

  6. f.

    de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

  7. g.

    de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

  8. h.

    de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

  9. i.

    welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en

  10. j.

    de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.

Bij de vaststelling van de identiteit gaan we er van uit, dat de cliënt impliciet toestemming geeft om zijn/haar persoonsgegevens te verwerken.

4. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 6. Verslag

  1. 1.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek.

  2. 2.

    Binnen 10 werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.

  3. 3.

    Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd.

Artikel 7. Aanvraag

  1. 1.

    Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.

  2. 2.

    Het college kan een door de cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.

  3. 3.

    In afwijking van het eerste en het tweede lid kan het college ambtshalve een besluit nemen tot verstrekking van een voorziening indien:

    a. het gaat om een herindicatie of aanpassing van een bestaande voorziening;

    b. er geen wezenlijke veranderingen zijn opgetreden in de persoonlijke omstandigheden.

Hoofdstuk 3. Maatwerkvoorzieningen

Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening

  1. 1.

    Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  2. 2.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en

    b. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  1. 3.

    Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als:

    a. de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet te vermijden was, en

    b. de voorziening te voorzien was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.

  1. 4.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,

    a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

    b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of

    c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

  1. 5.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

Artikel 8a.. Soorten maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen

  1. 1.

    Er zijn verschillende soorten maatwerkvoorzieningen onder de Wmo 2015: thuishulp, begeleiding, beschermd wonen, woonvoorzieningen, rolstoelvoorzieningen, vervoersvoorzieningen.

  2. 2.

    Bij aanvragen voor woonvoorzieningen kan rekening worden gehouden met het beginsel van “primaat van verhuizen”.

  3. 3.

    In de Nadere Regels door het college zijn de verschillende soorten maatwerkvoorzieningen uit de Verordening en beginselen uitgewerkt

Artikel 8b.. Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang

  1. 1.

    Aanvragen en indicaties voor Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang worden voor de gemeente De Wolden behandeld door centrumgemeente Assen.

  2. 2.

    Bezwaarprocedures over Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang worden behandeld door de bezwaarschriftencommissie in Assen.

  3. 3.

    Het beleid van centrumgemeente Assen op het gebied van Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang is van toepassing en wordt gevolgd.

Artikel 8c.. Resultaat gericht indiceren

  1. 1.

    De consulent indiceert resultaat gericht, hetgeen betekent dat de consulent in de indicatie aangeeft wat het resultaat van de in te zetten maatwerkvoorziening in het kader van Wmo-begeleiding dient te zijn.

  2. 2.

    De indicatiestelling vindt plaats in uren of een afgeleide daarvan.

Artikel 8d.. Afwijsgronden maatwerkvoorzieningen

  1. 1.

    Het kan zijn dat geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

    a. indien cliënt geen ingezetene is van gemeente De Wolden en niet het hoofdverblijf heeft in gemeente De Wolden;

    b. indien de voorziening voor de cliënt algemeen gebruikelijk is;

    c. indien de voorziening niet langdurig noodzakelijk is;

    d. indien er voorliggende wettelijke regelingen of collectieve voorzieningen zijn.

Artikel 9. Advisering

Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening.

Artikel 10. Inhoud beschikking

  1. 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  2. 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing;

    d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  1. 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;

    b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en

    e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  1. 4.

    Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

Hoofdstuk 4. Persoonsgebonden budget

Artikel 11. Regels voor pgb

  1. 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

  2. 2.

    Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  3. 3.

    De hoogte van een pgb:

    a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;

    b. wordt berekend op basis van een tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en

    c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

  1. 4.

    De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor de onderstaande onderwerpen. In de Tarieventabel in de bijlage van deze verordening is de hoogte vastgesteld:

    a. een zaak: op basis van de kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten;

    b. huishoudelijke hulp:

    i. door iemand uit het sociaal netwerk;

    ii. door een professionele organisatie. Uit de zorgovereenkomst moet blijken, dat er gewerkt wordt via een professionele organisatie; zie hoogte tarieven in tarieventabel in de bijlage.

    c. individuele begeleiding:

    i. uitgevoerd door iemand uit het sociaal netwerk. Bij hulpverlening door het sociale netwerk worden aan de hulpverlener geen bijzondere specifieke eisen gesteld. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de klant om de gestelde resultaten te bereiken en deze ook zichtbaar te maken. Sociaal netwerk kan veel meer zijn dan familie, kennissen en kan een ieder betreffen met wie de klant een sociale relatie onderhoudt;

    ii. uitgevoerd door een professionele aanbieder/organisatie. Een organisatie, die ingeschreven staat bij de kamer van koophandel als bedrijf en waarbij de zorgverlener daadwerkelijk in dienst is; er is dus geen sprake van een ZZP, alpha-hulp of vergelijkbare constructie. Er zijn aantoonbare werkgeverslasten zoals in ieder geval huur gebouwen, afdracht werkgeverspremies en verplicht regelen vervanging.

    d. groepsbegeleiding;

    e. kortdurend verblijf- en respijtzorg;

    f. vervoer van en naar de dagbesteding;

    g. taxi- en rolstoeltaxivervoer: op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van maximaal 2000 kilometers per jaar;

    h. een autoaanpassing: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde leverancier;

    i. verhuishulp: op basis van de laagste kostprijs van de verhuizing die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente contracteerde verhuizer en rekening houdende met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende verhuizer;

    j. aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel: op basis van de laagste prijs en het laagste tarief die hiervoor zouden worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde leverancier;

    k. het bezoekbaar maken van een woning: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aannemer en rekening houdende met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer.

  1. 5.

    De hoogte van een pgb voor een zaak wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de zaak die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt. Als de naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Als de naturaverstrekking een nieuwe voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering.

  2. 6.

    Bij nadere regeling kunnen voorwaarden betreffende het tarief worden gesteld, een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk.

Artikel 11a. Niet toekenning pgb

  1. 1.

    Persoonsgebonden budget wordt niet toegekend

    a. voor een vervoersvoorziening in de vorm van collectief vervoer;

    b. aan een persoon die zich in een traject van schuldsanering bevindt, tenzij aangetoond en vastgelegd is dat het pgb besteed wordt aan de beoogde voorziening;

    c. aan een persoon die onder bewindvoering staat, tenzij aangetoond en vastgelegd is dat het pgb besteed wordt aan de beoogde voorziening;

    d. als uit twee achtereenvolgende controles is gebleken dat een persoon niet in staat is het pgb te verantwoorden;

    e. als de belanghebbende handelingsonbekwaam is;

    f. als de belanghebbende als gevolg van dementie, een verstandelijke handicap of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht in de eigen situatie heeft en niemand de administratie kan overnemen;

    g. als er sprake van verslavingsproblematiek is;

    als de belanghebbende, indien het een aanvraag voor begeleiding of thuishulp in combinatie met begeleiding, niet uiterlijk twee weken na het keukentafel gesprek een volledig ingevuld budgetplan overlegd en/of weigert over het budgetplan in gesprek te gaan.

  1. 2.

    Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een pgb niet gewenst is. In deze situaties kan een PGB worden geweigerd. Om een pgb af te wijzen op overwegende bezwaren, moet er enige feitelijke onderbouwing zijn op grond waarvan afgewezen kan worden. Dit kan een medische onderbouwing zijn, maar ook het aantonen van schulden of eerder misbruik. De onderbouwing wordt in de beschikking vermeld.

  2. 3.

    Een persoonsgebonden budget zal ambtshalve worden omgezet in natura indien:

    1. uit twee achtereenvolgende controles is gebleken dat (een deel van) het pgb niet is besteed aan een voorziening die voldoet aan het programma van eisen;

    2. na een controle blijkt dat een persoon bij terugvordering van het niet of onjuist bestede deel van het pgb dit deel niet terugbetaalt.

    In deze situaties is geen ondertekend aanvraagformulier nodig. Omzetting vindt plaats bij beschikking.

Hoofdstuk 5. Eigen Bijdragen

Artikel 12. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen

Indien er algemene voorzieningen worden vastgesteld, wordt het wel of niet vragen van een eigen bijdrage geregeld via de Nadere Regels.

Artikel 12a. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb's

  1. 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot.

  2. 2.

    De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid van het Uitvoeringsbesluit danwel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tot ten hoogste € 17,50 per bijdrageperiode voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4, derde lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

  3. 3.

    De kostprijs van een:

    a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;

    b. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

  4. 4.

    In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd.

Hoofdstuk 6. Kwaliteit en Toezicht en Handhaving

Artikel 13. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning en Toezicht en Handhaving op kwaliteit

  1. 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

    c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

    d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten ten minste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

  1. 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 14. Meldingsregeling calamiteiten en geweld en Toezicht

  1. 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  2. 2.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  3. 3.

    De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Artikel 15. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb's en misbruik of oneigenlijk gebruik van Wmo 2015

  1. 1.

    Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  2. 2.

    Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

  3. 3.

    Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;

    c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

    d. de cliënt langer dan 4 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet;

    e. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of

    f. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

  4. 4.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen bijvoorbeeld zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  5. 5.

    Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  6. 6.

    Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

Artikel 15a. Opschorting betaling uit het pgb

  1. 1.

    Het college kan beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.

  2. 2.

    Het college kan beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 15, derde lid, onder d of e.

  3. 3.

    Indien het college een besluit neemt op grond van het eerste en/of tweede lid van dit artikel, wordt de pgb-houder daarover schriftelijk geïnformeerd.

Artikel 15b. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb's

Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

Hoofdstuk 7. Mantelzorg en Meerkosten

Artikel 16. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  1. 1.

    Het college kan nadere regels stellen op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

  2. 2.

    In gemeente De Wolden is er voor gekozen om de waardering voor de mantelzorgers te laten blijken in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 17. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet en gelet op artikel 2.1.7 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, en die een inkomen hebben lager dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, een tegemoetkoming voor meerkosten verstrekken.

Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

  1. 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of

    b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

    1. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en

    2. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  1. 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  1. 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    a. de kosten van de beroepskracht;

    b. redelijke overheadkosten;

    c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    d. reis en opleidingskosten;

    e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor

    aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  1. 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  2. 5.

    Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

Artikel 19. Klachtregeling

  1. 1.

    Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

  2. 2.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.

  3. 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en op het houden van een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek

Artikel 20. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  1. 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van voorzieningen, voor zover het gaat om leveringen van zorg of ondersteuning.

  2. 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Hoofdstuk 8. Beleidsparticipatie voor ingezetenen

Artikel 21. Betrekken van ingezetenen bij het beleid en geleidelijke verwezenlijking implementatie VN Verdrag Handicap

  1. 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  2. 2.

    Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  3. 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  4. 4.

    Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid en zorgt voor geleidelijke verwezenlijking implementatie VN Verdrag Handicap. Het VN Verdrag is in de zomer van 2015 ondertekend door Nederland en moet de toegankelijkheid van onder andere gebouwen en voorzieningen voor gehandicapten bevorderen.

Hoofdstuk 9. Overgangsrecht en slotbepalingen (artikel 22 en 23)

Artikel 22. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  1. 1.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2017, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  2. 2.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2017 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze wijzigingsverordening 2019, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2017 zoals die gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening 2019.

Artikel 22a. Indexering bedragen tarieventabel

  1. 1.

    Het wijzigen van de bedragen in de bij deze wijzigingsverordening behorende Tarieventabel is een bevoegdheid van het college, voor zover die wijziging uitsluitend betrekking heeft op het indexeren van de bedragen.

  2. 2.

    Indien het college gebruik maakt van de in het eerste lid genoemde bevoegdheid informeert zij daarover de gemeenteraad door een overzicht van de gewijzigde Tarieventabel naar de gemeenteraad te sturen.

Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel

  1. 1.

    Deze verordening treedt in werking de dag na publicatie.

  2. 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning De Wolden 2017.

Sluiting

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente De Wolden, gehouden op 29 juni 2017.

Zuidwolde,………

De raad voornoemd,

griffier, voorzitter,

drs. I.J. Gehrke R.T. de Groot

Toelichting

Bijlage